Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

intéressant dan mooi, doordat de zich daar bevindende symbolen van Sjiwa den Scljgpffer, de Iingga en de stier, geen verheffenden indruk maken. Van buiten zijn deze gebouwen echter zeer fraai.

Het spreekt vanzelf, dat de bouwstijl der Midden-Javaansche tempels, zooals alles wat Hindoesch was, zijn oorsprong in Voor-Indië genomen heeft; op Java is hij echter tot een gansch eigen ontwikkeling gekomen, geheel en al afwijkend van den Voor-Indischen bouwtrant1). De Hindoe-architecten ondervonden al spoedig, dat op Java, met haar talrijke aardbevingen zóó gebouwd moest worden, dat de tempels schokken konden verdragen, dat niet alles instortte, als er eens één steen verschoof. Zij vermeden daarom het aanwenden van luchtig omhoog strevende pilaren, gebruikten geen bogen, die bij de geringste verschuiving zouden neervallen, maar zochten hun kracht meer in breede dan in hooge lijnen. (Dit is de oorzaak van het feit, dat de Boroboedoer meer indruk maakt als men er dichtbij dan wanneer men er ver van af staat).

Ook de versiering der gebouwen is van Voor-Indische afkomst, maar veel meer dan daar is er op Java werk gemaakt van het banaspati- of Kala-(monster) hoofd en de visch-olifantskop, waarvan de lijnen zich zoo uitstekend Ieenen voor de versiering van poorten, ramen en trappen, en die in allerlei variaties aan bijna eiken tempel voorkomt2).

Huizen uit den Hindoe-tijd zijn er in 't geheel niet over, doordat het materiaal daarvan uit hout en bamboe bestond, dat de eeuwen niet trotseeren kon3). Waarschijnlijk woonden de Javaansche families toen reeds meerendeels in afzonderlijke huizen, daar de machtige vorsten wel in staat zullen zijn geweest, de veiligheid in hun rijk te handhaven.

Wat er in het rijk der oude Javaansche vorsten voorviel, hoe de leefwijze van koning en onderdanen was, daarnaar tasten we geheel in het duister. Oeen geschrift is er over, dat ons daarvan vertelt, ja zelfs heeft geen enkel letterkundig product uit dien tijd ons bereikt, hoewel er toen toch stellig dichters en schrijvers op Java leefden4), die in 't Javaansch schreven. Want de Hindoes verdrongen de landstaal volstrekt niet. Zij werkten er waarschijnlijk alleen toe mee om van de volkstaal een literatuurtaal te maken. In de 11e eeuw blijkt de Javaansche taal reeds zoo klassiek te zijn, dat men het bestaan van vroegere literarische geschriften niet betwijfelen kanB).

1) . De Javaansche stijl gelijkt wel het meest op den in Zuidelijk Voor-Indië gebruikelijken stijl, den Dravidischen.

2) . Aan de meeste tempeloverblijfselen kan men ze nog vinden.

3) . Op den Diëng alleen heeft men grondslagen van huizen aangetroffen; deze waren zooals voor het klimaat op den berg paste, dan ook van steen.

*). Dit henfijst een spraakkunst met een verzameling van voorschriften voor Javaansch-sprekende dichters. Ze geeft Sanskrit-synoniemen met korte verklaringen in Oud-Javaansch en dateert uit 775.

s). Prof. Dr. H. Kern in: Neerland's Indië I, pagina 229.

Sluiten