Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij weten ook, dat de Sanskritsche heldendichten, het Mahabharata en 't RamSjana op Java aan het volk bekend werden, zoo goed zelfs, dat zij op den duur het repertoire van de wajang veroverd hebben. Wat eerst het godsdienstig voorouderspel was, kwam nu in dienst van de Hindoesche ideeën: de helden der Voor-Indiërs met de hun eigen idealen werden voorgesteld door de figuren, die vroeger de voorouders hadden verbeeld *) en werden geheel als Javanen beschouwd. Zoo drong door middel van deze reeds populaire voorstellingen de moreele invloed der Hindoes overal op Midden- en Oost-Java diep bij de bewoners door.

In de maatschappij kwam door de Hindoes een groote verandering: het kastenstelsel maakte scherpe scheidingen tusschen de bevolkingsgroepen 2). Een invloed ten goede was dit niet. Al waren er Javanen, die tot de derde, de landbouwers- en handwerkerskaste behoorden, zoo werden de meeste toch tot de vierde, de Sjoedra's gerekend, terwijl er bovendien nog velen waren, die nog niet goed genoeg voor deze laagste klasse bevonden werden. Veracht door anderen brachten de laatstgenoemde groepen het leven door, wat voor hun gevoel van eigenwaarde niet bevorderlijk was. Aan den anderen kant had de vereering, die de hoogste klassen genoten, op de leden daarvan, die in 't begin allen Hindoes, later Hindoe-Javarten waren, geen goeden invloed. Gewone aardsche schepselen met deugden en gebreken, gelijk zij toch waren, meenden zij, dat hun Q»r alles veroorloofd was, alsof zij goddelijke afkomst bezaten. Sterk werkte de * Hindoe-invloed de macht van den alleehheerscher in de hand; vóór de komst der vreemdelingen bestonden zulke machthebbers op Java niet.

Ook was de invloed der hoogste kaste, die der priesters, op de menigte overmatig groot.

De bevolking was verplicht aan den vorst desagewijs belasting op te brengen uit de producten van den grond3). Deze inkomsten werden, evenals in Voor-Indië dikwijls door de Koningen geschonken aan bevoorrechte onderdanen, bij voorkeur aan geestelijken, die aan heiligdommen verbonden waren 4). Van hunne zijde hadden de begiftigden godsdienstige verplichtingen na te

1) . Boven, op blz. 8, is reeds gezegd, dat sommige Oud-Javaansche voorouderfiguren zich steeds bleven handhaven, evenals allerlei gebruiken uit den ouden tijd.

2) . Het is volstrekt niet zeker, dat onder Hindoeschen invloed de scheiding tusschen Kromo en Ngoko in het Javaansch is ontstaan. Een bepaalde conclusie over den oor-

• sprong is nog niet te geven. Prof. Kern beschouwt de onderscheidingen als een uit¬

breiding van het „pamali" d.i. het verbod om onder zekere omstandigheden bepaalde woorden te bezigen. Zie Ene. v. N. I. II, pag. 136, 137. In het Oud-Javaansch worden Kromo en Ngoko door elkaar gebruikt. De nieuwe differentieering na de 16e eeuw heeft niet bekende oorzaken.

s). Of de vormen van grondbezit óp Java oorspronkelijk Javaansch waren of door de Hindoes werden opgelegd, valt moeilijk te zeggen. Er kwam zoowel gemeenschappelijk als individueel bezit voor.

*). Hierop wordt later in het Hoofdstuk over Hajam Woeroek van Madjapahit, teruggekomen.

Sluiten