Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen, zooals: het onderhouden van koninklijke graven en van heiligdommen, het geven van onderwijs en dergelijke. Dank zij dit soort schenkingen, die gewoonlijk gegrift werden op steen of koper — duurzaam materiaal — weten wij van verschillende Hindoevorsten en de hen dienende Rijksbestierders de namen en den tijd, waarin zij leefden, maar veel meer weten wij voorloopig van hen dan ook niet. Zoo wordt er een Koning Balitoeng genoemd, die omstreeks 900 leefde en die, naar 't schijnt, te Blitar in Oost-Java resideerde; eveneens een vorst Mahasjambhoe en een Koning Daksha, die eerst onder de twee voorafgaande vorsten Rijksbestierder was. Hij zetelde te Medang Kamoelan in Mataram en regeerde van ± 910 — 919. Hij werd vervangen door Koning Tlodong, die tot Rijksbestierder Mpoe Sindok had. De laatste is een merkwaardige figuur, doordat hij in ± 928, na het verdwijnen van Mataram, als vorst in OostJava optreedt.

Van het machtige Mataram hooren wij namelijk na ± 928 niet meer. Wat daarvan de oorzaak is geweest, ligt nog geheel in het duister1), daar er nergens melding van wordt gemaakt. Zeker is echter, dat Midden-Java sinds het genoemde jaar zwijgt en dat zijn rol door Oost-Java wordt overgenomen. Wat er in Midden-Java in de eerstvolgende eeuwen voorviel, is ons geheel onbekend. Bewoond schijnt het land wel gebleven te zijn, want.de naam Mataram bleef zich handhaven op de plaats, waar de kern van het groote rijk had gelegen en daar kwam hij in de 17e eeuw tot nieuwen luister. Van het lot der heiligdommen weten wij evenmin iets. Slechts vluchtig wordt de naam „Boedoer" in de 14e eeuw eenmaal (en wel door een Boeddhistisch-dichter) genoemd; andere tempels genoten toen echter veel meer vereering. Zij bleven echter voor een groot deel, zij 't in vervallen staat, bewaard, zoodat zij het zijn geweest, die het nageslacht de grootheid van het oude Mataram hebben geopenbaard.

i). Waarschijnlijk is het vermoeden van den heer Rouffaer — „Tjandi Toempang" in Indische Gids 1903, 25e jaargang pag. 169 — juist, dat een natuurverschijnsel, een uitbarsting van een vuurspuwenden berg, van den Merapi of van den Merbaboe, met aardbevingen gepaard gaande, de bevolking van Mataram voor een deel uitroeide en op de vlucht dreef.

Sluiten