Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoon, die, volgens een inscriptie, een familielid van hem was, is opgevolgd. Misschien moeten wij ons daarom de zaken zóó voorstellen, dat Erlangga's moeder een oudere zuster bezat, die met Dharmmawangsja huwde, door welke verbintenis deze vorst ook over Sindok's rijk kwam te heerschen. Had deze koning nu een zoon gekregen dan zou zijn neef (volgens deze veronderstelling) Erlangga nooit aanspraak op den troon gehad hebben; Dharmmawangsja bezat echter alleen een dochter en doordat deze nu in 't huwelijk trad met haar naasten mannelijken bloedverwant, (zooals in dergelijke gevallen algemeen aan de Javaansche hoven gebruikelijk bleef) haar vollen neef Erlangga, werd deze de vermoedelijke troonopvolger en Kroonprins.

Dharmmawangsja is 't waarschijnlijk geweest, die reeds in 992 Palembang, dat zich steeds op één lijn met Java wilde stellen en daarvoor steun bij China zocht, aanviel en tot onderwerping bracht1).

In datzelfde jaar zond de Javaansche Maharadja gezanten naar China, met rijke geschenken voor den Keizer: ivoor, parelen,'geborduurde en met goud bewerkte zijde (eigen Javaansch fabricaat), gekleurde katoenen goederen, sandelhout, schildpad, sirih-stellen, krissen met fraaibewerkte grepen, rottan matten, papegaaien, een sandelhouten baldakijn met allerlei kostbaarheden versierd. De Javaansche vorst gaf hiermee haast een kort begrip van de waren, die toen in zijn rijk verhandeld en gemaakt werden. Goud, zilver, zwavel en specerijen worden ook naar de Javaansche markten gevoerd en het land zelf was buitengewoon vruchtbaar. De bewoners verbouwden er rijst, hennep en erwten en moesten daarvan een tiende als belasting (tjoeke) opbrengen. Die heffing werd op lontars geregistreerd. Visch, gevogelte, vee en vruchten waren er in overvloed te krijgen, zout bereidde men reeds uit zeewater. De export van gabah (rijst in den bolster) scheen voor het Rijk zeer de moeite waard te zijn, daar daarvan uitvoerrechten geheven werden; de opbrengst daarvan (in natura) werd in staats-rijstbewaarplaatsen opgeschuurd.

Voor allerlei doeleinden stonden den Koning vele ambtenaren ten dienste. Het rijk werd, volgens deze mededeelingen uit China2), geregeld bestuurd en verkeerde in bloeienden toestand. Daarin kwam gedurende eenigen tijd verandering door gebeurtenissen, die Erlangga, toen hij een machtig Koning geworden was, aan het nageslacht heeft overgeleverd.

1) . Een leger van 30.000 man, onder een generaal, bezat de Javaansche vorst ongeveer in dezen tijd (Chin. bericht).

2) . Deze Chineesche berichten handelen over den tijd van 960—1279 en geven geen naam van den regeerenden vorst. In drie eeuwen kunnen de toestanden zich zeer wijzigen, vele dingen, zooals de producten, en zelfs de tjoeke-heffing, blijven dezelfde.

Sluiten