Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE HOOFDSTUK.

Erlangga Vorst van Oost-Java 1010—1042.

Vóórdat Erlangga, de erkende, machtige vorst van Oost-Java was geworden, had hij een leven vol beroeringen achter zich. Reeds gedurende zijn kroonprinsschap geraakte hij in groote moeilijkheden. Op zeer jeugdigen leeftijd was hij in 't huwelijk getreden, gelijk verteld is, met de dochter van Koning Dharmmawangsja, zijn machtigen verwant, tot wiens geslacht Erlangga zich ook rekent. Wel nam door dit huwelijk zijn aanzien bij de menschen toe, eerst echter ondervond hij er slechts tegenspoed door. Terwijl hij nl. in 1006, vijftien jaren oud, aan het hof van zijn schoonvader verblijf hield, stortte zich „een vloed van rampen"over Java uit; als een fel bewogen zee kwam het eiland in beroering. Dharmmawangsja's hoofdstad werd door vijanden, (waarschijnlijk den vorst van Wiroewari) *) aangevallen en viel in hun handen; de Koning zelve kwam met vele grooten in dien strijd om (1007) en Erlangga moest zijn heil in de vlucht zoeken. Hij trok zich, slechts vergezeld van een kleine troep ruiters, zijn bedienden en eenige hovelingen in de bosschen van Wonogiri terug. Donker zag de toekomst er voor hem uit; in 't krijgsbedrijf was hij nog niet zeer geoefend. Evenwel — de goden namen hem onder hun bescherming: hij was immers een belichaming van God Wisjnoe en tot groote dingen voorbestemd. Hij zou in de algemeene overweldiging niet mede ten onder gaan. Vergezeld van zijn getrouwen, onder wie Narottama door aanhankelijkheid uitblonk, woonde de prins met monniken en kluizenaars van reinen levenswandel in 't woud. Hitte en vochtigheid hadden zij te verduren, kleeren van boomschors bedekten hen en monniken en heremieten deelden hun van hun voedsel mee. Uit dankbaarheid voor de hulp, die deze heilige mannen hem in die benarde omstandigheden verleenden, legde prins Erlangga aan het graf van een zijner voorouders 2) plechtig de gelofte af, dat, zoo hij later de macht in handen kreeg, hij op die plek een groote kluizenarij zou stichten, een gelofte, die hij, zooals wij zien zullen, inderdaad is nagekomen.

1) . De inscriptie waaraan het hier verhaalde is ontleend, is op deze plaats onleesbaar.

2) . Waarschijnlijk aan dat van zijn vader Oedajana te Djalatoenda op den Pananggoengan; op de helling daarvan verrees de kluizenarij.

Sluiten