Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de javaansche *) letterkunde, die haar eerste bloeitijdperk onder hem beleefde, stelde Erlangga veel belang. Op zijn verlangen kwam er een vertaling van 't Hindoesche heldendicht, de Mahabharata tot stand, waarvan de inhoud reeds gedeeltelijk aan de bewoners van Java bekend was. Aan zijn hof leefde de dichter Kanwa in groote eer; deze is de maker van het gedicht Ardjoenawiwaha, dat de bruiloft van den volmaakten held Ardjoeno met Soebadra bezingt. Daar de vorm van dit gedicht zeer hoog staaf, is het stellig niet het eerste Oud-Javaansche kunstdicht geweest2). Het Ramajana, het heldendicht van Rama, was — het is niet met zekerheid bekend — in dezen tijd waarschijnlijk al vertaald. Het was eveneens zeer populair3).

Reeds op ongeveer vijftigjarigen leeftijd was Erlangga het verkeer in de wereld, waarin hij reeds vroeg begonnen was zijn daden te verrichten, moe. Hij besloot zich als kluizenaar terug te trekken en zijn verder leven aan den dienst van Wisjnoe te wijden, den god wien hij met hart en ziel toegedaan was. Diens draagdier, den wondervogel Garoeda, voerde Erlangga als wapen in zijn zegel.

Van Wisjnoe was hij ook naar men meende, een belichaming en hieraan is 't ook toe te schrijven, dat men, een beeld van den vorst makend, dezen voorstelde als god Wisjnoe, gezeten op Garoeda. Dit fraaie beeld, waarschijnlijk van 's vorsten graftempel, tegelijk badplaats Belahan, tegen de Oostelijke helling van den Penanggoengan 4), afkomstig, is hoewel beschadigd, gelukkigerwijs gespaard gebleven en is nu te vinden in het Museum van Modjokerto..

In vorstelijk ornaat zetelt Erlangga Wisjnoe, de voorhanden gevouwen in den schoot op een lotuskussen, attributen van Wisjnoe, de schep en de lotusbloem in de achterhanden houdend. Van den hem dragenden Garoeda zijn de vleugels en de sneb afgebroken; met zijn klauwen vermorzelt de wonderarend twee zijner verwoede vijanden, de slangen.

Hoe lang Erlangga nog als heremiet geleefd heeft weet men niet; in de jongere Javaansche verhalen is de vorst bekend als Resi Gentajoe d.i. kluizenaar Garoedavogel ?).

Van Erlangga's verschillende kinderen was eerst prinses Sanggrama Widjajattoengadewi de vermoedelijke troonopvolgster. Zij was, naar 't schijnt het eenige kind van Erlangga's hoofdvrouw, terwijl de twee zoons, die op haar volgden, eene bijvrouw tot moeder hadden. De prinses trok zich echter als non in de kluizenarij Poegawat terug. In de latere Pandji-verhalene) is zij een welbekende figuur: de „Kili Soetji" — de Heilige non — n.1. of: „Rara Kapoetjangan", de Maagd van Kapoetjangan r).

D. w. z. Oud-Javaansche of Kawi letterkunde. 2). Prof. Dr. H. Kern in Neerland's Indië I pag. 229. '). Zie Dr. J. Brandes in Ene. van Ned.-Indië III art. „Oudheden" pag. 132. *). Waarschijnlijk bedoeld als tegenhanger van Djalatoenda.

5) . Rouffaer, in Notulen van het Bat. Genootschap 1909 pag. 184.

6) . Hierover wordt verderop nog gesproken.

T). Roorda in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van N. I. Nieuwe volgreeks 7e dl. 1864 pag. 1. De lotgevallen van Raden Pandji.

Sluiten