Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat wijst op de continuiteit van leden van eenzelfde geslacht. Een der belangrijkste opvolgers van Djajabaja was, schijnt 't, Sjringga, die vele oorkonden uitgaf.

Wie van de Kedirische Vorsten stukken van Djanggala heeft veroverd, blijkt niet. Van Djajabaja wordt in een oorkonde meegedeeld, dat hij hachelijke oogenblikken heeft beleefd, wat wel op het voeren van een oorlog wijst. Overigens traden de Vorsten in de eerste helft der 12e eeuw krachtig naar buiten op. In 1129 kreeg de toenmalige regeerder van Java Kamesjwara I van den Keizer van China den titel van Koning. En wat voor den Javaanschen ondernemingsgeest in dien tijd zeer pleit: Javaansche kooplui dreven handel tot in de buurt van Sofala (op de Zuid-Oostkust van Afrika, waartegenover Madagascar ligt).1). Waarschijnlijk haalden zij hier goud, amber en Sofalaijzer vandaan, welk laatste product gebruikt werd voor het „mengijzer", dat zij bij het smeden hunner fraai gedamasceerde krissen gebruikten, en bovendien negerslaven, die met allerlei andere vreemdsoortige lieden aan 't hof verblijf hielden, tot vermaak van den Vorstz).

Java zelf bracht ontzaglijk veel klappers, pisangs, rijst en suiker voort en er bestond een groothandel in (van elders aangevoerde) specerijen. Aan den Koning van Java behoorde het eiland Bangka, dat waarschijnlijk als steunpunt diende tegen Palembang, waarmee Java al in 992 oorlog had gevoerd.

Bewijzen dus te over, dat er van 't rijk Kediri kracht uitging; het is dan ook niet te verwonderen, dat het in de buurt liggende Toemapei met omgeving er in het eerste kwart der 13e eeuw toe behoorde. Daar voerde in 1220 Toenggoel Ametoeng als vazal het bestuur voor den Kedirischen vorst Dandang Gendis (of Kertadjaja). Met dezen vorst liep het even slecht af als met zijn leenman: hij werd in 1222 tot vluchten gedwongen door denzelfden Ken Arok, die Toenggoel Ametoeng reeds omgebracht en verschillende deelen van Djanggala veroverd had.

De oude dynastie, van Mpoe Sindok moest voor een nieuw geslacht de plaats ruimen.

1) . Dit en het hieropvolgende is genomen uit: Rouffaer's opstel „Tochten" in dey Encyclopaedie van Ned.-Indïë IV blz. 372 e.v. Ie druk, waar gesproken wordt van het Arabische werk over aardrijkskunde in 1154 door Edrisi beëindigd.

2) . Een gewoonte, die tot op den huidigen dag aan de hoven in de Javaansche

Vorstenlanden in eere bleef men denke daarbij aan de dwergen bij, vroegere

Europeesche hoven. (Rouffaer in hetzelfde artikel blz. 373).

Sluiten