Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

re Toean Tita werd een groot vriend van hem. Samen leerden ze lezen en schrijven. Ook hoedde Arok weer karbouwen en dan maakte hij meteen van de gelegenheid gebruik om de voorbijgangers te belagen en te berooven. Dit ging zóódanig alle perken te buiten, dat de akoewoe van Toemapei (dit moet ongeveer vazal beteekenen, n 1. van den Vorst van Kediri (Daha)) hem liet vervolgen. Arok geraakte daardoor aan het zwerven van de eene plaats naar de andere en stal en roofde onderwijl wat hij kon; ook maakte hij 't de vrouwen zeer lastig.

Op zekeren dag in een speelhuis zittend, werd hij, zoo zegt de legende, door een Voor-Indischen Brahmaan, Lohgawé, als de incarnatie van Wisjnoe herkend1). Terstond nam deze hem als zoon aan, bracht hem naar den leenvorst van Toemapei, Toenggoel Ametoeng en bewerkte, dat deze Ken Arok in dienst nam. Nu bezat deze Vorst een wonderschoone vrouw, wier schoot vuur uitstraalde2), Ken Dèdès geheeten, die hij indertijd had geschaakt. Hierover was haar vader, een Boeddha-priester, zoo gebelgd geweest, dat hij Toenggoel Ametoeng vervloekt had, hem toewenschend, dat hij door sluipmoord en krissensteek zou sterven. Voor haar nu vatte Ken Arok dadelijk een vurige liefde op, die blijkbaar" door Ken Dèdès evenzoo werd beantwoord. Zij lieten er de omgeving evenwel niets van merken. Ken Arok echter kon niet nalaten zijn pleegvader Lohgawé over zijn gevoelens te spreken en deze vertelde hem, dat de armste man van zulk een vrouw wereldveroveraar (!?) zou worden. Dit was voor den eerzuchtigen Arok een aansporing om met het plan, dat hij reeds in zich omdroeg, voor den dag te komen: Toenggoel Ametoeng te dooden en met Ken Dèdès te trouwen. Voor den priester Lohgawé gaf het geen pas deze misdaad goed te keuren, verhinderen wilde hij die echter ook niet en daarom zei hij, dat Arok maar de goedkeuring van zijn vroegeren pleegvader, den speler Bango Samparan moest gaan vragen. Bango gaf die terstond en raadde Arok aan bij den vermaarden smid Mpoe Gandring een kris te bestellen, die hem goede diensten zou bewijzen. „De krissen, die hij maakt zijn goed", zei hij, „tegen zijn maaksels is niemand bestand; men behoeft er geen twee maal mee te steken". Arok volgde dezen raad op en zei tot Gandring, dat de kris over vijf maanden klaar moest zijn. Als hij na verloop van dien tijd de kris wil komen halen, is Gandring er nog aan bezig; hij moet voor zoo'n wapen een jaar den tijd hebben, dan is 't pas goed. Ken Arok, die vol ongeduld zijn tijd had afgewacht, werd zoo woedend over die teleurstelling, dat hij den smid de kris ontrukte en hem er mee doorstak. Stervende vervloekte Gandring de kris: Arok zelf, zijn kinderen en zijn kindskinderen; zeven Koningen zouden door deze kris omkomen. Arok's hevig berouw kon

J). Tegenwoordig zouden wij waarschijnlijk zeggen: Hij zag, dat er wat in Arok zat, dat hij iemand met een toekomst was.

2). Dit moet aanwijzen, dat zij een incarnatie is van Dewi Sjri, de echtgenoote van Wisjnoe.

Sluiten