Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steun van de geestelijken verzekerd. Hij won nog meer menschen voor zich door allen, die hem vroeger liefde betoond hadden te beloonen en honderd smeden uit de desa van de door hem gedooden smid Gandring vrijstelling van belasting te geven. Koetaradja (later Singosari genoemd) werd de hoofdstad van 't rijk Toemapei, waar welvaart, orde en voorspoed heerschten en welks bewoners hem zeer onderdanig waren. Verzekerd bij niemand zijner onderdanen verzet te zullen vinden, verklaarde hij zich nu onafhankelijk van Kediri en in 1222 eindelijk, viel hij den Vorst daarvan, Kertadjaja aan. Diens leger werd verslagen en de Vorst, vluchtend in een kluizenarij, hing zich met zijn mannelijk gevolg op. Ken Arok, nu beter: Koning Radjasa geheeten, bracht Kediri onder zijn gezag en stelde er, gelijk de Voor-Indische wetboeken dat voorschreven, een vazal aan, Djajasabha, zeer waarschijnlijk een familielid van den gestorven Koning.

Het grootste deel van Djanggala, nu Toemapei genoemd, en Kediri waren dus weer onder één Vorst vereenigd; anders dan vroeger echter nam nu de streek ten O. van de Kawi (Pasoeroean) hierbij de eerste plaats in.

Zeven en twintig jaren regeerde Koning Radjasa, toen — in 1247 — zijn noodlot hem achterhaalde. Eens op een dag n.1. kwam Anoesapati, die nog steeds niet wist, dat hij slechts 's Konings stiefzoon was, bij zijn moeder Ken Dèdès en vroeg: „Moeder, ik vraag U, wat beduidt 't toch, dat vader mij zoo geheel anders aanziet dan mijn broeders en zusters; niet eens daarbij in rekening brenr gende de kinderen van mijn halve moeder, dan ziet vader nog anders". Zijn moeder vertelde hem daarop niet alleen, dat hij de zoon van Toenggoel Ametoeng was, maar ook, dat deze door zijn ■— Anoesapati — stiefvader vermoord was. Anoesapati zweeg, een poos peinzende, stil, en sprak toen de veelbeteekenende woorden: „Moeder, vader heeft en kris van Gandring, die zou ik gaarne willen hebben, moeder". Ken Dèdès wier liefde voor Ken Arok blijkbaar geheel bekoeld was, gaf hem die. Toen nu de zon onderging — de lichten werden juist aangestoken — werd de Koning aan tafel door een dienaar van Anoesapati met de noodlottige kris doorstoken. Terstond doodde Anoesapati den dienaar, zoodat 't voor een ieder verborgen bleef, dat hij de opdracht tot den moord had gegeven.

Koning Radjasa werd bijgezet in de tjandi van Kagenengan*), waar een Sjiwabeeld met zijn trekken werd opgericht, dat groote eer werd bewezen. Het spreekt vanzelf, dat gedurende den bloeitijd van Madjapahit de voorvader van het machtige Koningsgeslacht niet vergeten werd en dat naar zijn „weergaloosschoone" graftempel vele pelgrimstochten werden ondernomen.

*). Waarschijnlijk gelegen bewesten tjandi Kendal in de buurt van Malang; misschien was 't de tempel, die gestaan heeft op de Goenoeng Katoe, een eind westelijk van Genengan (oudhk. Rapp. 1016 pag. 105).

Sluiten