Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Kartanagara.

Vijfde en laatste Koning van Singosari ( = Toemapei)

1268-1292

Kartanagara's leven en bestuur is ons veel beter bekend, dan dat van zijn vader, doordat niet alleen de Pararaton veel meer bijzonderheden van hem vertelt, maar ook de Boeddhistische dichter van de Nagarakertagama, het lofdicht op den grooten Koning van Madjapahit, Hajam Woeroek genaamd, met voorliefde over zijn vorstelijken geloofsgenoot uitweidt. Het spreekt vanzelf, dat de laatste alleen de goede zijden van den voorvader zijns Vorsten belicht, de Pararaton is in dit opzicht echter niet zoo eenzijdig. Behalve deze werken zijn er verschillende oorkonden en berichten van en over Kartanagara bewaard gebleven, die allerlei belangrijke zaken bevestigen en nieuwe meedeelen.

Hij was een man met een samengesteld en wispelturig karakter, wiens smaak in zeer verschillende richtingen ging. Zijn wetenschappelijke en philosophische neigingen brachten hem tot bestudeering van de spraakkunst en van godsdienstige geschriften", „de gezaghebbende boeken der ware (d.i. Boeddhistische) leer". Ook zou hij een werk over het ontstaan van het heelal, de cosmogonie Radjapati Goendala, geschreven hebben. Hij was een vurig Boeddhist, stichtte gasthuizen voor geestelijken, deelde rijkelijke giften uit aan het volk en liet zichzelf wijden tot Djina, d.w.z. tot Mijmer-Boeddha, maar hoe hij de daaraan verbonden werkeloosheid combineerde met de werkzaamheid van eên regeerend Votst, wordt niet vermeld. Geheel in tegenspraak hiermee is zijn voorliefde voor palmwijn en uitgezochte maaltijden, waaraan hij zich herhaaldelijk, zelfs op de meest hachelijke momenten, te buiten ging. En ondanks zijn studiezin was zijn menschenkennis zeer weinig ontwikkeld en zijn zorgeloosheid buitengemeen groot, zooals uit het volgende blijken zal. Van het ondernemen van veroveringstochten, welke gedeeltelijk succes hadden, was hij niet afkeerig, waarbij zijn lichtzinnigheid eens zoo ver ging, dat hij Java bijna geheel van troepen ontblootte, wat in zijn omstandigheden verre van practisch*) was. Diezelfde gevaarlijke eigenschap bracht hem echter tot

i). De Nagarakertagama noemt hem: „zeer flink in het verrichten van practische handelingen".

Sluiten