Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en het geheele land Java sprak dat, volgens dezelfde bron, vanzelf. Van andere zijde worden deze veroveringen niet bevestigd, doch onmogelijk in dezen tijd zijn ze niet1). Met het rijk Tsjampa (= Zuidelijk Annam) onderhield Kartanagara vriendschappelijke betrekkingen, een zuster van hem (of een dochter?) huwde met den Vorst van dat rijk, met Koning Djajasoenhawarman III.

Onderwijl nam Kartanagara maatregelen, die voor hem en zijn rijk hoogst verderfelijke gevolgen hadden. Aan zijn hof bekleedde een zekere Banjak Wide, later Arja Wiraradja geheeten, een hooge post. Hij was bevriend met 's Konings vazal te Daha, Djajakatwang2) en zette met hem een samenzwering tegen Kartanagara op touw. Hiervan lekte iets uit en in plaats dat de Vorst nu den onbetrouwbaren dienaar onschadelijk maakte, benoemde hij hem tot zijn stadhouder op Madoera te Soemenep. Dit was weliswaar een eind uit de buurt, maar Wiraradja zat daar zoo goed als onafhankelijk en kon.met zijn Kedirischen vriend de betrekkingen door middel van brieven en boden onderhouden. Tegen Djajakatwang nam Kartanagara in 't geheel geen maatregelen. Waarschijnlijk geloofde hij niet in de trouweloosheid van zijn vazal, die immers de schoonvader van een zijner dochters was. En de valsche leenman zorgde er zoo wel voor, zich als vriend voor te doen, dat Kartanagara's even opgewekte achterdocht dadelijk weer in slaap werd gewiegd. Ondertusschen hield de Dahaër Wiraradja voortdurend van 's Konings omstandigheden op de hoogte en deze werden door diens eigen schuld hoe langer hoe ongunstiger. Was de wijze van optreden tegen Wiraradja een fout geweest, een nog grovere ,was het ontslag, dat hij zijn getrouwen rijksbestierder Raganatha verleende. Ongetwijfeld maakte deze vele en gerechtvaardigde aanmerkingen op 's Konings regeeringsbeleid en dit werd Kartanagara op den duur te hinderlijk. Hij kon den verdienstelijken man onmogelijk zijn ontslag zonder meer geven en daarom benoemde hij hem tot den hoogen post van opperrechter, in welk ambt Raganatha volstrekt geen bemoeienis meer met het bestuur had. De Koning verergerde deze misgreep nog door tot Raganatha's opvolger iemand te benoemen, die hem in zijn ondeugden stijfde: Aragani (of: Kebo tengah sang apandji), die den Vorst eiken dag op een maaltijd onthaalde en hem gezelschap hield bij het drinken van palmwijn.

Maar Kartanagara zou nog de kroon op zijn onverantwoordelijke daden zetten: Zooals reeds eerder verteld is, onderhielden Java en China van ouds handelsbetrekkingen met elkaar, die van Javaansche zijde steeds door 't zenden

1) . Het is n.1. opmerkelijk, dat later Gadjah Mada zich volgens den Pararaton, ten doel stelt juist ook bovengenoemde landen te veroveren (plus Dompo op Soembawa, Palembang — dat ook al eens aan Java had toebehoord, Haro op Soematra's Oostkust en Toemasik = Singapoerp). Het maakt den indruk, alsof hij den smaad wil uitwisschen, dat deze streken voor Java verloren gegaan waren. Ook koesterde Gadjah Mada groote sympathie voor Kartanagara, getuige zijn oprichting van een Kerkhoftempel voor den Vorst in 1351. Was dat misschien wegens diens imperialistische neigingen? ,

2) . Waarschijnlijk nog een afstammeling van Erlangga, die de liefde voor letterkunde, in zijn geslacht zoo algemeen, niet verloochende, zie noot pag 66.

Sluiten