Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

De Heerschappij van Djajakatwang 1292—1293.

De Singosarische troepen behaalden onder Raden Widjaja, (de kleinzoon van Narasinga en de zoon van Lemboe Tal) wel succes tegen de invallers in 't Noorden, maar toen hij zich naar 't Zuiden wendde en daar door Arddharadja, Djajakatwang's zoon, in den steek werd gelaten, ging zijn leger langzamerhand te niet. Toch wist hij bij een stoutmoedigen aanval den vijand nog nadeel te berokkenen en een van Kartanagara's dochters, met wie hij getrouwd was, te bevrijden. Om voor een tweede, die van haar zuster afgeraakt was, nog pogingen in 't werk te stellen, was de overmacht te groot. Zeshonderd man slechts bleven bij den prins en daarvan liepen er steeds meer naar den vijand over. Velen kwamen er ook om, toen ze een groote rivier moesten overzwemmen. Slechts twaalf man bleven er eindelijk over om den prins en de prinses te beschermen en al hielden zij zich de vijanden van 't lijf, hun ondergang scheen onvermijdelijk. „Als een boschkip in de wildernis" vluchtte Widjaja met zijn getrouwen, waaronder Sora, Rangga Lawe, Nambi en Gadjah Pagen —■ twee zoons van Wiraradja — Pedang en Dangdi steeds verder naar 't Noorden; om beurten droegen zij de prinses. Eindelijk beraadslaagden zij in hun jammerlijken toestand, waar zij toch heen moesten gaan en een der zoons van Wiraradja stelde toen voor, naar zijn vader op Madoera over te steken. Het was hun allen onbekend, dat Djajakatwang op aansporing van den Madoereeschen stadhouder had gehandeld. De zoon verklaarde stellig, dat zijn vader met het lot van den prins begaan zou zijn; aan diens vader *) immers dankte hij 't, dat hij een groot man was geworden. Widjaja voelde zich niet zoo zeker: „Ja juist" zei hij, „als hij met mij begaan is, maar is hij dat niet, dan leg ik er groote oneer mee in". Toch besloot hij, geen andere uitkomst ziende, den raad maar op te volgen en naar de Noordkust van Java verder te sluipen.

Djajakatwang liet nog steeds den prins achtervolgen en had streng verboden hem huisvesting te verleenen. Toen nu de zwervers, hongerig en vermoeid en wanhopende aan hun leven, te Koedadoe aankwamen, ondervonden zij tot hun verrassing groote gastvrijheid van het dorpshoofd aldaar, dat hun eten en drinken verschafte en hen verborgen hield. Daarna geleidde hij hen

*). Waarschijnlijk: schoonvader bedoeld.

Sluiten