Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar Datar aan de kust, van waar zij naar Madoera over konden varen. Koning geworden vergat Raden Widjaja het brave dorpshoofd niet, gelijk wij verderop zien zullen.

Op Madoera aangekomen, werden zij in de buurt van Soemenep, de stadhouderlijke residentie, op een sawah door den nacht overvallen; de trouwe Sora ging toen voorover op het dijkje liggen en de prins en prinses namen op hem plaats. Den volgenden morgen zond Widjaja eerst iemand vooruit om te zien of Wiraradja soms buiten op de aloen-aloen zat. Spoedig kwam de bode met het bericht terug, dat de stadhouder inderdaad buiten audiëntie verleende, waarop de prins, zeer ongerust welke ontvangst hem te beurt zou vallen, zich naar de aloen-aloen begaf. Dadelijk kreeg Wiraradja hem in 't oog. Hij schrok er zichtbaar van, stond op en' ging in huis. Hierdoor geheel uit het veld geslagen riep de prins uit: „Wat heb ik gezegd? Ik leg er groote oneer mede in; had ik 't toch toen maar met den dood betaald!" Hij keerde terug in de richting van waar hij gekomen was, maar juist trad Wiraradja met zijn vrouw en huisgenooten weer naar buiten en gezamenlijk kwamen zij op den prins af om hem sirih aan te bieden,. Rangga Lawe riep: „Heer, het loopt heel anders; komt Wiraradja daar nu niet zijn opwachting maken?" Widjaja's vreugde was hierover groot. Wiraradja noodigde allen bij zich. De prinses werd, omringd door Wiraradja's echtgenooten, op een wagen naar de woning van den stadhouder gevoerd, en Wiraradja geleidde den prins. Tot hun logeervertrek was Wiraradja's eigen slaapkamer gereed gemaakt. Zoo spoedig mogelijk lichtte Raden Widjaja den stadhouder over de laatste gebeurtenissen te Singosari in: „En wat wilt U nu, prins?" vroeg Wiraradja. Gaarne zou hij op Madoera bij hem blijven. „Maak U maar niet ongerust" sprak de geboren intrigant" er zal wel iets op gevonden kunnen worden om het gebeurde weer ongedaan te maken, maar 't moet langzaam aan geschieden". Onderwijl lieten de gastheer en zijn vrouw het hun gasten aan niets ontbreken: kleeren, sarongs en sieraden werden Hun door de Raden Ajoe zelve aangeboden. Eiken dag werden zij op heerlijke maaltijden onthaald en palmwijn werd er overvloedig geschonken. Vol dankbaarheid beloofde Raden Widjaja: „Mijn vader, ik ben U zeer veel verplicht; als ik mijn doel bereik, dan zal ik Java in tweeën deelen en gij zult de eene helft, ik de andere hebben". „Zooals U wilt, Heer", was het lakonieke antwoord. „Als U maar eerst Koning zult zijn geworden."

Toen de prins en prinses al vrij langen tijd1) bij Wiraradja doorgebracht hadden, ontvouwde de gastheer eindelijk zijn plan, dat dienen moest, om nu zijn vriend Djajakatwang, die geheel Singosari veroverd had, ten val te brengen. Het samenzweren zat Wiraradja in 't bloed. Raden Widjaja dan moest bij den Koning in dienst gaan en diens lieden goed leeren kennen.

i). Dit kan niet langer dan enkele weken zijn geweest. De gebeurtenissen volgen elkaar verder snel op.

Sluiten