Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij moest precies te weten kernen, wie er trouw of lafhartig, bekwaam en krijgshaftig was. „Heeft U allen goed opgenomen, dan vraagt U verlof om te gaan wonen in de desa, die de Madoereezen op de woeste gronden van Trik zullen hebben aangelegd". Als er lieden uit Toemapei tot hem kwamen moest hij ze aannemen en ook indien er zich Dahaërs tot hem wendden, moest hij ze aan zich verbinden. De tijd om toe te slaan zou gekomen zijn, als hij precies wist, wat hij aan de Dahasche soldaten had. Hij, Wiraradja, zou wel zorgen dat Djajakatwang, Raden Widjaja in dienst nam.

Inderdaad zond Wiraradja nu den Vorst van Kediri een 'gezant om voor den prins den weg te effenen en natuurlijk had de aanbeveling van zijn ouden vriend op Djajakatwang de gewenschte uitwerking: „Hoe zou ik 't niet goed vinden" schreef hij terug, „dat mijn jongen Adji Widjaja zich aan mij wil onderwerpen ?" Raden Widjaja begaf zich hierop met zijn volgelingen en de Madoereezen, die Wiraradja hem meegaf, naar Java terug.

In Daha nam Djajakatwang hem zonder eenige achterdocht aan en daar de prins zich door zijn plichtsvervulling onderscheidde, kreeg de Koning hem zeer lief. In behendigheid bij het krissteekspel evenaardde niemand Widjaja en cok diens volgelingen overtroffen de Dahaërs bij allerlei spelen verre. Toen de prins het had opgemerkt en het Wiraradja had laten weten, raadde deze hem aan nu de bewerking der woeste gronden van Trik aan te vragen. Dit gebeurde en Kening Djajakatwang had er geen bezwaar tegen.

Terwijl nu, zegt het verhaal, Widjaja's lieden bezig waren met het schoonmaken van het terrein1), kreeg een der Madoereezen honger en daarom plukte hij van de madjavruchten die bij hem in de buurt groeiden. Hij beet er in een, maar de madja was bitter en hij gooide haar weg evenals andere van de soort die hij geplukt had. Naar deze bittere madja kreeg de in 1292 op die plaats gestichte desa den naam van Madjapahit2). Spoedig nam de vestiging in omvang toe en Widjaja vroeg nu den Kening verlof er zelf te mogen wonen. Djajakatwang „verleid door zijn genegenheid en de voortreffelijke wijze, waarop de prins hem had weten te dienen, als meende hij 't opreeht", stond hem dat gereedelijk toe. Nu achtte Widjaja den tijd gekomen om 't masker af te werpen. Hij correspondeerde er met Wiraradja over en noodilgde dezen uit met hem tegen Daha te komen optrekken. Zijn vindingrijke helper echter hield 't nog wat tegen en zei: „Niet te haastig, ik heb nóg een plan. Ik ben bevriend met den Koning van Tatar (d.i. Keizer Choebilai van China) ; ik zal hem zeggen, dat ik voor hem de prinsessen buit zal maken. Ik zal dadelijk naar Tatar schrijven, want er is hier juist een schip vandaar gekomen

1) . Dit was gelegen i/d. tegenw. residentie Soerabaja, ten Z. van Modjokerto.

2) . Het is best mogelijk, dat dit verhaal juist is. Tallooze plaatsen op Java en ir de Buitenbezittingen heeten naar bloemen, planten en vruchten. De madja is de Aegle Marmelos of smeerappel; de Ene. N. I. I 2e druk, blz. 13 geeft den naam: Bengaalsche kwee.

Sluiten