Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De Chineesche Expeditie op Java. Eind 1292 — het midden van 1293.

In de laatste helft van 1292 had Keizer Choebilai zijn troepen, die Java zouden straffen voor Kartanagara's beleediging gereed en onder leiding van de Mongolen Ike Mese (of: I-hei-mi-shih), den vlootvoogd en den Generaalen-chef Shih-Pi met diens Chineeschen onderbevelhebber Kau Hsing werden ze op voor dit doel gerequireerde jonken getransporteerd. Na Karimata aangedaan te hebben en Belitoeng (Billiton), waar zij kleine bootjes maakten, om daarmee de Javaansche rivieren op te kunnen varen, bereikten zij de KarimonDjawa eilanden, waar zij hun krijgsplan in elkaar zetten. Er werd besloten, dat een deel van de troepen in Toeban zou landen en langs de kust, ter bescherming van de vloot aan de landzijde, verder zou trekken, terwijl de anderen OudSedajoe zouden aandoen (even ten Oosten van Toeban; niet het tegenwoordige Sedajoe) en vandaar naar den mond van de rivier van Soerabaja zouden doorvaren. Langs de rivier kon men het gemakkelijkst de hoofdstad Daha ( = Kediri) bereiken. Van Sedajoe werden drie hoofdofficieren naar Madjapahit — van Welks bestaan de Chineezen daar blijkbaar vernamen — afgezonden, om te zien wat men daar te hunnen opzichte van plan was. Op dit tijdstip moet Raden Widjaja juist Djajakatwang de gehoorzaamheid opgezegd hebben, zooals hij met Wiraradja overeengekomen was. Alle Chineesche troepen vereenigden zich weder te Patjekan —even ten Zuiden van Soerabaja — en daar wachtte een sterke Javaansche (d.i. Kedirisch-Singosarische) vloot, uit groote schepen bestaande, die aan den achtersteven met monsterkoppen versierd waren1), hen op. De rivier, met haar belangrijke monding, behoorde tot het gebied van Djajakatwang en men wilde „de entrée van Java" niet zoo maar prijs geven. Vloot en leger vielen nu tegelijk de Javanen aan en de laatsten geraakten in zoo'n hachelijke positie, dat Djajakatwang's eerste minister, die in een bootje den afloop van het gevecht wilde aanschouwen, 's nachts wegvluchtte. Honderd schepen vielen daarop den Chineezen in handen. Na deze overwinning werd de riviermond onder sterke bewaking gelaten en trok de hoofdmacht verder het binnen-

Zoo versierde prauwen worden nog op Java en Bali gemaakt. Zie het geïllustreerde artikel van W. O. J. Nieuwenkamp: „Iets over vaartuigen in onze Oost" in: Nederlandsch-Indië Oud en nieuw, 2e Jaarg. 1917 November No. 7 blz. 233 e.v.

Sluiten