Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

land in naar Daha (= Kediri), dat zij voor den rijkszetel hielden van den beleediger huns keizers, Kartanagara.

Onderwijl waren drie officieren van Madjapahit te Patjekan teruggekeerd en hadden 't bericht gebracht, dat de schoonzoon van den Vorst van Java, Raden Widjaja zich aan de Chineezen onderwierp. Hij zou zelf wel zijn onderwerping komen aanbieden, als hij niet met den Vorst van Daha in oorlog was, zoodat hij onmogelijk zijn leger kon verlaten. Daarom zond hij zijn eersten minister met veertien anderen. Hij beloofde schatting op te zullen brengen en ook gaf hij een kaart van 't land mee, die den Chineezen bij het optrekken naar de hoofdstad van nut zou zijn.

Listig liet ook hij na, den vreemdelingen mee te deelen, dat de macht van zijn schoonvader op den vorst van Daha was overgegaan.

Kort hierop verzocht Raden Widjaja dringend hulp, daar hij te Madjapahit plotseling door Dahaërs was aangevallen, waarschijnlijk door de lieden, die van de vloot te Patjekan gevlucht waren. Kau Hsing werd er op afgezonden, joeg die vijanden op de vlucht en versloeg ze. Toen dan, trokken de Tatars (zooals de Chineezen in den Pararaton steeds genoemd worden), in drie afdeelingen van verschillende kanten tegen Daha op en Widjaja met de zijnen, sloot zich bij hen aan.

Djajakatwang raakte, onverwachts van alle kanten besprongen, geheel in de war. Zijn rïjksgrooten werden door den uit het Oosten naderenden vijand verslagen en gedood. Vlak bij de stad wonnen de uit het Noorden komende troepen den beslissenden strijd. Duizenden Javanen werden den Brantas in gedreven, vijfduizend sneuvelden er. Nu trokken de Chineezen onder Shih-Pi de versterkte stad binnen en begaven zich naar de Kraton, waarin Djajakatwang zich teruggetrokken had. De Vorst moest zich — eind April 1293 — terstond overgeven. Hij werd gevangen gezet te DjoenggaloeJ). Zijn zoon en legeraanvoerder trachtte zich door de vlucht te redden.

Raden Widjaja was te Daha terstond in Djajakatwang's kraton doorgedrongen om er de dochters van Kartanagara weg te nemen en voerde ze dadelijk (in 't geheim vermoedelijk) na de hem welgevallige gebeurtenissen met zich naar Madjapahit. Den Mongoolschen aanvoerder had hij n.1. verlof gevraagd om naar zijn residentie te vertrekken, daar hij nu de beloofde schatting moest bijeenbrengen. En, wat de Chineezen nooit hadden moeten doen — zij lieten hem gaan.

De Chinees Kau Hsing had, nog voor den val van Daha wel waarschuwend zijn stem laten hooren en gezegd, dat Madjapahit zich nu wel onderworpen had, maar dat 't daar best berouw over kon krijgen en zich wel we.er met Daha

i). Dit is misschien het tegenwoordige Megaloeh aan den Brantas op de grens van Kediri, waar de Beng in de groote rivier uitmondt. De legende zegt, dat de Vorst hier de Kidoeng „Woekir Polaman" de „Vischvijverberg" gedicht heeft, zie noot 2 op pag. 58. Men vraagt zich af, of de Chineezen Djajakatwang steeds voor Kartanagara hebben gehouden.

Sluiten