Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ven. Het een is een pas te Malang*) als zoodanig herkend beeld, het andere is de geschonden en bedorven „Djaka Dolok", wiens zegen door zoovelen wordt afgesmeekt, in het park tegenover het residentiehuis te Soerabaja.

Van Koning Kertaradjasa zijn geen pogingen om 't rijk buiten Java uit te breiden bekend. Met China kreeg de Vorst geen moeilijkheden meer. De expeditie naar Java was Keizer Choebilai's eenige mislukte expeditie niet en toen zijn kleinzoon hem in 1294 opvolgde, paste deze dan ook terstond een andere politiek toe. Hij liet overal de oorlogen staken en trachtte de goede betrekkingen met de omliggende landen en zoo ook met Java te herstellen. Het handelsbelang werkte er ook toe mee wraaktochten achterwege te laten. China en Java hadden elkaar's producten noodig en reeds in 1297 zond de Javaansche Vorst weer een gezant met brieven naar den Chineeschen Keizer, wat in 1298 en 1300 herhaald werd. In 1308 verschenen er Chineesche boodschappers op Java, daarna duurde het tot 1322 eer wederom Javanen naar China gezonden werden, hetgeen te wijten zal zijn geweest aan de onrustige • regeering welke op die van Kertaradjasa volgde.

De Chineezen, en ook een Italiaan Marco Polo, die aan ChoebUai's hof langen tijd vertoefde, hebben ons overgeleverd, dat de handel op Java in dezen tijd niet minder dan vroeger bloeide. Voor allerlei Indische waren, zoowel zelf geproduceerde als ingevoerde, was 't eiland de stapelplaats. Men kon er, zooals reeds eerder gezegd is2), rijst, hennep, erwten, specerijen (vooral peper), vee, gouden en zilveren artikelen, koperwerk, katoenen en zijden weefsels, zwavel, ivoor, rhinoceroshoorn, allerlei houtsoorten, papegaaien, artikelen van vlechtwerk e.d. inslaan. De Chineezen voerden er kralen, goud,)C zilver, blauw satijn, gekleurd taf, blauwe en witte porceleinen kopjes en ijzerwaren in. Toeban, Oud-Sedajoe, en Tjanggoe waren toentertijd handelssteden van gewicht, die door tallooze schippers en kooplui bezocht werden. In Tjanggoe vermoedelijk was de „zeedouane" of shahbandarij van Madjapahit gevestigd *).

In 1295, toen Raden Kala Gemet niet ouder dan éen jaar kan geweest zijn, liet zijn vader hem reeds tot Koning van Kediri en daarmee tot troonopvolger van 't geheele rijk, onder den naam van Djajanagara, wijden. Dit geschiedde bij wijze van voorzorgsmaatregel. Aan een zoon wilde de Koning liefst de opvolging verzekeren, wat weliswaar natuurlijk was, maar waarop toch wel eens aanmerkingen konden gemaakt worden, daar de prins van lang niet zoo aanzienlijke geboorte van moederszijde was als de dochters van de prinsessen uit het Singosarische, wettige Vorstenhuis zouden zijn 4)) Nu zou men na 's Konings dood in elk geval voor een voldongen feit staan, het was

Het staat op het Assistent-residents erf. 2). Zie blz. 33.

8). Rouffaer: Ene. N. I. IV. Tochten.

*). De twee, boven reeds genoemde prinsessen werden na Raden Kala Gemet geboren.

Sluiten