Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leger naar het Oosten om dien gevaarlijken opstand te bedwingen. Nambi liet zich daardcor niet uit 't veld slaan: hij durfde wel tegen een nog veel grootere overmacht van die „Westelijken" te vechten. En inderdaad versloeg hij de Madjapahiters aanvankelijk. Doch ook bij hem was de dood het eind van zijn vermetel pogen, zijn sterkte werd geslecht en het gebied, dat aan zijn vader — inmiddels overleden — afgestaan was, werd weer geheel bij Madjapahit ingelijfd.

De oppermachtige Mahapati bleef steeds aan het intrigeeren tegen de lieden, op wie hij niet gesteld was, maar groef daarmee eindelijk zijn eigen graf. Eens, toen hij weer eenige voormannen had aangeklaagd, werd duidelijk bewezen, dat hij een valsche beschuldiging had ingebracht. Nu was zijn rijk uit: hij werd gevat en omgebracht. De ontevredenheid verdween echter niet met den gehaten raadsman. Er werd door een 'zekeren Koeti*) getracht den Vorst van den troon te stooten en Djajanagara kwam daardoor in een hachelijken toestand. Daar hij zich niet bemind of geacht had weten te maken, vielen velen hem af. De Koning werd zelfs gedwongen zijn'residentie eenigen tijd te verlaten. De ambtenaren des Konings wisten ten slotte niet op wie zij al of niet konden rekenen. Een der bekels, Gadjah Mada, Officier van de wacht wilde klaarheid brengen en hij verspreidde daarom 't gerucht, dat de Koning dood was. Nu bleek 't, dat toch de meeste onderdanen het Vorstenhuis trouw waren gebleven: men was bedroefd en Koeti wilde men niet tot Vorst hebben. Deze werd dan ook gedood. Dank zij de list van Gadjah Mada, wiens groote rol in 't rijk Madjapahit nu aanvangt, was Djajanagara weer op den troon bevestigd. Gadjah Mada werd spoedig daarop apatih van Kahoeripan en daarna rijksbestierder van Kediri.

Lang zou Djajanagara echter geen Koning meer blijven, en wel door zijn eigen schuld. Zooals reeds gezegd is, bezat hij twee halfzusters, die dochters van de Singosarische prinsessen en dus voortzetsters van de oude dynastie waren. Daar hij niet bemind was, vreesde hij, dat indien die jeugdige prinsessen huwden met bekwame en geachte rijksgrooten, zijne zwagers wej eens met succes aanspraak op den troon voor hunne echtgenooten konden maken. Daarom wilde hij zijn halfzusters zelf tot vrouw nemen en zoolang dat nog niet gebeurd was *), verbood hij de edelen te Madjapahit te komen om zoo mogelijk pretendenten te weren. Overtrad iemand dit verbod, dan werd hij gedood. Begrijpelijkerwijs waren de Ksjatria's over deze handelwijze van den Vorst zeer ontevreden en dit verergerde, toen de Koning de vrouw van een zekeren Tansja beleedigde. Haar man gaf daar ruchtbaarheid aan en daarom werd hem door Gadjah Mada een proces aangedaan. De afloop daarvan wordt niet meegedeeld, maar Tansja's wrok verdween er niet mee. Hij was een kundig wondarts en werd korten tijd na 't gebeurde bij den Vorst geroepen, die, ziek

*). Wie dat was, deelt de Pararaton niet mede. 2). Het gebeurde ten slotte nooit.

Sluiten