Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onthouden, zoolang Soenda, Bali, Dompo (op Soembawa), Seroeng (Ceram), Goeroen (de Goram Archipel ten O. van Ceram of Noesa Penida tusschen Bali en Lombok), Tandjoeng Poera (in Zuid-West Borneo, hoofdstad van Matan), Palembang, Haroe (op Sumatra's Oostkust), Pahang (op het schiereiland Malaka) en Toemasik (Singapoera) niet onderworpen zouden zijn. Op de aloen-aloen in tegenwoordigheid der mantri's, verklaarde hij dit en van alle kanten kreeg hij toen spotternijen en betuigingen van ongeloof in zijn succes te hooren; ieder lachte of schold hem uit. Diep gekrenkt ging Gadjah Mada hierover zijn beklag doen bij de Koningin en zóó groot werd zijn invloed, dat spoedig een paar der voornaamste spotters, die toch al wat op hun geweten hadden, uit den weg geruimd werden.

Dompo werd het eerst veroverd, door Nala, den legerchef voor de expeditie op de Buitenbezittingen; Bali volgde in 1334. De daar heerschende^^ machtige Vorst van Badahoeloe1) kwam met al de zijnen om. De val van zijn rijk was een zaak van groot gewicht, daar zijn macht zich uitstrekte over Kangean, over een deel van Soembawa, Lombok, Madoera, over het uiterste Oosten van Java, en verder nog over een deel van Celebes (Boegis, Boni, Mandar, Badjo).

Op dit alles maakte nu Madjapahit gerechte aanspraak en wij zullen zien, dat het die wist te doen eerbiedigen. In welke volgorde, of wanneer de andere veroveringen gemaakt werden is onbekend. Het zal blijken, dat de genoemde streken, met nog vele andere daarbij, onder de regeering van den opvolger der Koningin, tot Madjapahit behoorden.

Niet alleen in de buitenlandsche politiek liet de voortvarendheid van den „Onstuimigen Olifant" zich gelden. Hij was Procureur-Generaal en moest zorg dragen voor de handhaving van de veroifleningen der Regeering. Of hij verder iets met de rechtspraak of wetgeving te maken had, is niet zeker, wel wordt zijn welsprekendheid in de pleitrede geroemd2). De lofdichter Prapantsja, die hem gekend heeft, overstelpt hem met loftuitingen: de Patih is dapper, betrouwbaar, oprecht onderdanig jegens den Koning (Djajawarddhani's opvolger, wiens minister Gadjah Mada ook zou worden), rechtschapen, bezadigd, standvastig en wakker. Dit is in elk geval zeker, dat aan hem een groot, misschien het grootste deel van den roem van Madjapahit te danken is.

Onderwijl was in 1334 der Koningin een zoon geboren, die den naam kreeg van Hajam Woeroek — de Jonge Haan — en die later als Koning -Sjri Radjasanagara Madjapahit op het toppunt van zijn bloei zou brengen*). Daar er

1) . Zie J. C. van Eerde in Tijdschrift v/h. Aardrijkskundig Genootschap 1911, 2e serie pag. 231 deel 28.

2) . Opmerkelijk is' 't, dat Gadjah Mada bij de Javanen van tegenwoordig nog vooral bekend is als rechtskundige of rechter. Zij schrijven hem ook de vervaardiging van het wetboek „Gadjah Moeda" toe, doch dit ten onrechte, daar het uit veel lateren tijd dateert, (dr. J. Brandes, in den Pararaton pagina 168).

s). Men blijft hem gewoonlijk Hajam Woeroek noemen.

Sluiten