Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de opvolging. Hij werd door Bhreng Daha, zijn oudtante, als zoon aangenomen en trouwde later met zijn halve nicht Nagarawarddhani (dochter van Isjwari en Singhawarddhana) en kwam door dit huwelijk Bhre Wirabhoemi (eigenlijk de naam van zijn vrouw) te heeten.

Zooals de gewoonte was, hadden al deze vorstelijke personen deelen van het rijk onder hun bestuur, maar stonden zij onder de opperhoogheid van den Koning te Madjapahit, waar zij herhaaldelijk moesten verschijnen om den Vorst hun hulde te bewijzen, „onderdanig jegens de voeten des Heerschers, lief> derijk jegens verwanten, de tevredenheid wekkende bij de bewoners des rijks". In de hoofdstad hadden zij dan ook allen hun eigen, afzonderlijke paleizen.

Hoe het karakter van Koning Hajam Woeroek geweest is, valt eigenlijk niet te zeggen, daarvoor prijst zijn lofdichter Prapantsja, die.in 1365 het gedicht, bekend onder den naam van Nagarakertagama, op den Vorst vervaardigde, hem te veel. Dat de Vorst goede en lofwaardige eigenschappen heeft bezeten, zal zeker wel juist zijn, maar de dichter wil ons in overdreven algemeen-blijvende termen doen gelooven, dat zijn karakter geen enkele schaduwzijde vertoonde. Dit is zeer begrijpelijk, als men bedenkt, dat Prapantsja aan 't hof van den Vorst verblijf hield, doch geloofwaardig is het niet1).

Groote kracht naar binnen en naar buiten ging er in dezen tijd van Madjapahit uit. Het binnenlandsch bestuur was tot in bizonderheden geregeld en naar buiten breidde het rijk zich hoe langer hoe meer uit. Dat dit voor het grootste deel aan den genialen Gadjah Mada te danken was, die tot zijn dood (in 1364) toe zijn gaven ten dienste van zijn Vorst stelde, is reeds boven opgemerkt.

Eigenaardig is 't, dat op een enkele uitzondering na nergens vermeld wordt wanneer en op welke wijze Madjapahit zijn veroveringen in den Archipel maakte. Slechts krijgt men van de landen, die in de tweede helft der 14e eeuw tot Madjapahit behoorden een lijst en deze is van eerbiedwaardige lengte2). Men moet bij de opsomming evenwel bedenken, dat gewoonlijk alleen de kusten van de genoemde eilanden, zooals b.v. van Borneo, in werkelijk bezit van Java waren en dat de binnenlanden meestal onbekend gebied bleven; voor het overgroote deel is het gelukt de nu in onbruik geraakte namen thuis te brengen. Wij geven ter vergemakkelijking van het overzicht de thans gebruikelijke namen eerst en plaatsen de oude er tusschen haakjes achter.

Het rijk van Madjapahit omvatte dan, behalve Oost- en Midden-Java, (de grenzen naar de Westelijke zijde worden nergens aangegeven) en Madoera.

J). Vergelijk wat boven over het karakter van Koning Kartanagara gezegd is, wien door denzelfden dichter alleen maar lof toegezwaaid wordt.

2). De opgaven van den Nagarakertagama, den Pararaton en de Hikajat Radjaradja Pasei zijn hier vereenigd. Zie J. C. van Eerde: De Madjapahitsche onderhoorigheden etc. in „Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap" 1911, pag. 219 e.v.; N. J. Krom: De eigennamen in de Nagarakertagama, in „Tijdschrift van het Bat. Gen." deel LVI afl.5 —6 pag. 491 e.v.

Sluiten