Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe het komt, dat de Soendalanden niet onderworpen werden, ofschoon Gadjah Mada het op het programma zijner veroveringen had geplaatst, is ons niet overgeleverd. Wel weten we, dat Hajam Woeroek een poging gedaan heeft, om met die streken in verbinding te komen. Hij zond n.1. in 1356 Gadjah Mada naar Soenda ten einde den daar regeerenden Vorst, Praboe Wanggi, om de hand zijner dochter (misschien Tohaan geheeten) te vragen. De patih ging, naar 't schijnt, met tegenzin, omdat hij immers gezworen had, Soenda voor Madjapahit te veroveren. Ging zijn Koning nu een huwelijksverbintenis aan, met eene prinses uit het daar regeerende huis, dan zou men bezwaarlijk vijandig tegen het land kunnen optreden. Toch ging hij de opdracht uitvoeren. De Maharadja van Soenda nam het aanzoek aan en met zijn dochter en groot gevolg begaf hij zich naar Madjapahit. Totdichtbij de stad genaderd, wachtte de Vorst daar de komst van zijn aanstaanden schoonzoon af. Deze wilde den Maharadja ook, gelijk gepast was, tegemoet gaan, doch Gadjah Mada achtte dit in strijd met de waardigheid van zijn machtigen Koning en bracht Hajam Woeroek van zijn plan af. De Maharadja zond eindelijk zijn patih naar de stad om inlichtingen in te winnen en deze afgezant kreeg toen ruzie met Gadjah Mada wegens diens hooghartig optreden. De Soendaneesche Vorst begon na het verslag van zijn patih achterdocht te koesteren, vooral toen Gadjah Mada de prinses ook nog liet opeischen. Sommige der Soendaneezen wilden haar wel afgeven, maar anderen verkozen, tot den laatsten man toe, om de grove beleediging hun aangedaan, te vechten. Inderdaad raakten zij toen handgemeen met de Madjapahiters, die een groote slachting onder de Soendaneezen aanrichtten, op het veld dat toen den naam van Boebat ( = „uiteenslaan") kreeg1). De Vorst zelve sneuvelde met vele zijner rijksgrooten en de prinses viel in handen der tegenpartij. Zij werd werkelijk de vrouw van Hajam Woeroek, maar stierf spoedig.

De nederlaag der Soendaneezen had echter niet tot gevolg, dat hunne landen onderworpen werden. Zij bleven van Madjapahit onafhankelijk en volgden hun eigen ontwikkelingsgang.

Gouverneurs waren de vertegenwoordigers en de handhavers van het koninklijk gezag op de Buitenbezittingen. Hun gewichtigste bezigheid schijnt het toezicht op den uitvoer der producten te zijn geweest: vandaar dat zij gewoonlijk hun zetel aan de kust hadden en zeevoogden geheeten werden. Met troepen en schepen hielden zij de macht van Java staande tegenover buitenlanders en tegen opstandelingen. De bewoners der Soeloe-eilanden (hoorend bij de tegenwoordige Philippijnen) b.v. deden een aanval op Broenei (dat wegens zijn kamfer2) zeer in trek was), maar zij moesten zich voor de Javaansche soldaten terugtrekken.

1) . Zie Dr. Hoesein Djajadiningrat: Critische beschouwing van de Sadjarah Ban ten, pag. 142.

2) . Nog betere kamfer produceerde Baros, op de Westkust van Soematra (in 't tegenwoordige Tapanoeli); ook een bezitting van Madjapahit. Het product werd bij het sirih kauwen gebruikt.

Sluiten