Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De onderworpen landen voegden zich gewoonlijk wel naar de bevelen des Konings, maar kwamen zij die niet na, dan „werden ze beoorloogd en geheel en al verdelgd door de zeevoogden, van wie verscheiden zich" (in zulke oorlogjes) „beroemd maakten". Vermoedelijk was meestal het weigeren of nietleveren van de door Java opgelegde schatting de oorzaak van den strijd, want op vaste tijden moest die stipt opgebracht worden. Zij werd behalve door mantri's (die men ambtenaren bij het Binnenlandsch Bestuur zou kunnen noemen) door geestelijken en geleerden (bhoeddjangga's) geïnd. De laatsten waren naar 's Konings meening, voor dat werk bijzonder geschikt, daar zij met tact optraden bij het uitvoeren van 's Konings wensch. Maar het was hun dan ook verboden zich daar buiten met godsdienstige werkzaamheden bezig te houden, want daardoor zou „het belang der wereld" (d.w.z. het geldelijk belang van het rijk) „ten zeerste lijden". Alleen kregen de Sjiwaïetische monniken van den Vorst verlof om daar, waar het Sjiwaisme reeds bestond, dat te bevestigen, opdat men er niet van de leer zou afdwalen. De Boeddhistische geestelijken waren nog meer beperkt in hun vrijheid van handelen. De Soendalanden mochten zij niet bereizen, omdat daar toch geen Boeddhisten woonden en die daar ook nooit geweest waren1). Slechts de eilanden ten Oosten van Java mochten zij bezoeken. Daar werden zij ook voor geheel wereldsche doeleinden gebruikt. Een der Boeddhistische „wijzen" kreeg b.v. de opdracht om op Bali een dergelijke grondregeling als op Java in te voeren.

Maar de geestelijken waren den Koning van niet minder politiek nut op Java zelf. Door middel van hen handhaafde hij het centraal gezag in zijn rijk, dat door de vele onderkoningen — als wij ze zoo noemen mogen — en andere Iandschapshoofden licht verzwakt kon worden. Het was n.1. de gewoonte, dat geestelijken tot het onderhoud van tempels, heiligdommen, kloosters en dergelijke de beschikking kregen over de belasting van bepaalde desa's, gronden, huizen enz., die anders den Vorst zou ten deel vallen *). Zulke „vrijgebieden" (d.w.z. vrij alleen van de vorstelijke belasting) mochten dan noch door de Koninklijke belastinggaarders, noch door soldaten») betreden worden. Aan het rechtsgebied van een onderkoning of landschapshoofd, waartoe zij aanvankelijk behoord hadden, werden zij geheel onttrokken, maar rechtstreeks stonden ze nu, mèt de geestelijken, aan wie zij verbonden waren, onder den Koning en deze kon dan ook van zijn zoo begiftigde godendienaren zonder ambtenaarlijke omwegen inlichtingen over de streek, waarin zij woonden verkrijgen. Het toezicht over de Vrijstiften was aan geestelijken opgedragen en zoowel de Sjiwaïetische, Brahmanistische als Boeddhistische werden afzonderlijk door-superintendenten, die de Koning benoemde, gecontroleerd4)- De verschillende stichtingen dezer steunpilaren van het gezag, over 't geheele rijk

»). Zie: R. Ng. Poerbatjaraka (Lesya) „Madjapahitsche heiligdommen in de Lampoeng", in Oudheidkundig verslag 1918, 4e. Kwartaal pag. 164 e.v. 2). Vergelijk wat hierover op blz. 29 is gezegd. »). Evenmin door allerlei lieden, die een veracht beroep uitoefenden. «). De Superintendent der Boeddhisten was de dichter Prapantsja.

Sluiten