Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer in trek) konden vestigen: „als wandelparken zijn bosch en gebergte, die men alle kan doorkruisen, zonder dat men eenig gevaar te duchten heeft."

De inspanning van den vorst en zijne ambtenaren schijnt met alle succes bekroond te zijn, want een Chineesch schrijver vertelt in dezen tijd, dat er op Java niet gestolen werd: ze raapten er niet eens op wat iemand op den weg liet vallen *). „Gewoonlijk spreekt men dan ook van het vreedzame Javavolk", zegt hij.' Toch was het land voor den toenmaligen tijd zeer dicht bevolkt: „het scheen", volgens Prapantsja, „over zijn geheele uitgestrektheid één enkele stad; de duizenden en duizenden tellende landbevolking lijken kampen van troepen, die zich rondom de hoofdstad bewegen" 2).

De inrichting van het bestuur in het rijk Madjapahit, is ons niet voldoende duidelijk meegedeeld. Wij weten, dat de Koning met behoud van het oppergezag, het bewind over bepaalde gebieden aan zijn verschillende familieleden had overgedragen, die door patihs — bestierders van onderdeden van het rijk — werden bijgestaan. Voor het bestuur over den geheelen staat had de Koning tot 1364 toe een rijksbestierder, Gadjah Mada, die „het volle, gewicht van 't gansche land" was blijven torsen, toen Hajam Woeroek zijn moeder in 1350 opvolgde. Hij was 's Vorsten rechterhand en vereenigde in zich de functies van minister van binnen- en buitenlandsche zaken1 en van dien van oorlog. Tegelijkertijd was hij procureur-generaal, soms trad hij op als legeraanvoerder (zooals op Bali was geschied). Bovendien was hij regelaar der kraton- en familiezaken des Konings, als hoedanig hij „de tusschenpersoon" van de leden der koninklijke familie heette. In alle zaken van gewicht was hij dus 's Konings raadgever, beter gezegd: diens leider. Geen wonder, dat toen hij in 1364 overleed, niemand waardig of bekwaam gevonden werd, om hem op te volgen. Zijne veelsoortige werkzaamheden werden toen over — waarschijnlijk — vier patih's verdeeld: de mantri sepoeh werd procureur-generaal, de mantri anom hoofd der kraton- en familiezaken, een derde werd kanselier en Poe Nala — de veroveraar van Dompo — werd, onder den titel van Toemenggoeng, minister van oorlog en legeraanvoerder.

Wij zagen reeds dat Vorst Kertawarddhana het oppertoezicht had over bebouwing, belastingen en politie en dat hij deze soort werkzaamheden deelde met den Vorst van Wengker, die de desa's en kookplaatsen liet opnemen. Zij hadden wedana's onder zich, die boven de dorpshoofden stonden. Belastinginners, politieambtenaren en spionnen ressorteerden ook onder Vorst Kertawarddhana. Opperrechter van het geheele rijk was Wikramawarddhana van Mataram, 's Konings schoonzoon. Het oppergerechtshof bezat een president, een Vice-president en zeven bijzittende rechters. Andere rechters stonden in rang en functie beneden hen.

*). Vergelijk wat een Chineesch schrijver van de Javanen in de 9e eeuw vertelt op pag. 17.

2). Intusschen was de bevolking toen veel minder dicht dan tegenwoordig.

Sluiten