Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een kondé (zonder haarspelden) opgemaakt. Beide seksen droegen een . jasje of lijfje en een sarong, en alle menschen, rijk of arm, hadden van klein kind aff?kris in den gordel. De krissen waren van uitstekend gedamasceerd staal en bezaten een gouden, ivoren of rhinoceros-hoornen greep, kunstig bewerkt in den vorm van een menschenhoofd of monsterkop. Raakte men den lieden hun voorhoofd aan, dan trokken ze onmiddellijk hun kris en staken er mee1), wat ook bij ruzies, beleedigingen en in dronkenschap herhaaldelijk gebeurde.

Met de lijken der gestorvenen werd op verschillende wijzen gehandeld. Men stelde ze in de wildernis aan vertering en aan de honden ten prooi, of men liet ze naar zee afdrijven (beide oer-oude gebruiken, zie blz. 4). Van Hindoeschen oorsprong was de lijkverbranding, waarmee — bij de rijken — weduwenverbranding gepaard ging. De vrouwen, die zoo een eind aan haar leven maakten, beklommen «dan, het hoofd met bloemen en het lichaam met lappen van verschillende kleur versierd, de stellage, aan den voet waarvan het vuur werd aangestoken. Al weenende dansten zij daar boven een tijd lang en sprongen dan in het vuur, waardoor zij tegelijk met het lichaam van haar echtgenoot verbrandden 2).

De meisjes, vertellen ook de Chineezen, verlustigden zich bizonder in de maneschijn. Op helderlichte nachten vormden zij troepjes van twintig a dertig personen, met één vrouw aan het hoofd. Arm in arm wandelden zij dan al zingende rond; de leidster gaf het lied aan, waarop de anderen invielen. Ze begaven zich dan naar de huizen van familieleden of van rijken en voornamen en kregen daar eenig kopergeld of iets dergelijks.

Werd de wajang, bèbèr vertoond, dan trok dat altijd een groot publiek. Terwijl de vertooner zijn beschilderd doek3) uitrolde, gaf hij er met luide stem uitleggingen bij. De licht-ontroerde toeschouwers, die rondom hem heen zaten, volgden de vertooning met groote aandacht en lachten of weenden al naar mate zij door het verhaal getroffen werden.

Evenwel waren de festiviteiten van Madjapahit van veel grooter omvang. Ten Noorden van de stad lag daarvoor een speciaal terrein, Boebat geheeten *), een groote vlakte zonder boomen, die bij feestelijke gelegenheden door houten kijkhuizen en tribunes omgeven werd. Er waren ook eenige gebouwen van minder tijdelijken aard onder, zooals het steenen paviljoen, waarin de Vorst gewoon was te vertoeven om de feesten op Boebat te kunnen bijwonen. De tribunes waren bestemd voor de edelen en de ambtenaren; voor het mindere

1) Dit is nog een animistisch overblijfsel. De menschen meenden n.1. dat door die aanraking hun levenskracht, op 't voorhoofd speciaal verzameld, afnam. D.t geloof

komt nog voor. „ .

2) . Tot voor kort, 25 October 1903, kwam weduwenverbranding nog op Ban voor; de Nederlandsche regeering verbiedt het streng.

s). Kunstschilders leefden er stellig op Java, in den Hindoetijd. Zie Rouffaer in; Ene. N. I. III blz. 560 artikel: Schilderkunst. 4). Zie blz. 85.

Sluiten