Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

publiek was aan de kanten van het veld ruimte in overvloed. Dagen achtereen werd hier op vaste tijden feestgevierd. De Koning reed er eens heen in een voertuig dat bespannen was met „honden en leeuwen, die niet met elkaar overweg konden en die door dienaren in bedwang werden gehouden." Geen wonder, dat de menschen dit vreemde schouwspel met verbazing aanstaarden. Op het veld vertoonden allerlei soort boksers en vechters hun bedrevenheid; met vuisten, speren, dolken, strijdhamers en touwen gingen ze elkaar te lijf. Drie of vier dagen lang duurden deze wedstrijden soms, waarna de Vorst de kampioenen met schoeisel en kleeding beloonde.

Dan werden dadelijk de tribunes opgeruimd, en prachtig versierde feesttenten opgeslagen, vooral voor de vorstelijke personen, edelen, hoofdambtenaren en de Wedana's, die uit gansch Java naar het feest waren opgekomen. Voor 't gewone publiek was echter ook gezorgd en lustig ging 't dan op Boebat toe. Er werd bij zoo'n gelegenheid heel wat gegeten en gedronken. Voor de Vorstelijke personen en ambtenaren werden de kostelijkste spijzen op gouden presenteerschalen aangebracht. Schapen-, geiten- en karbouwenvleesch, herten en vogels, honing, visch en eieren werden opgediend — voedsel, dat volgens de oude Hindoewetboeken geoorloofd was. Aan de rest der gasten werd vooral visch, garnalen e.d. voorgezet en — hoewel 't verboden spijs was — ook kikvorschen, wormen, ezels, muizen en honden. Prapantsja zelf, een vroom Boeddhist, voegt aan deze mededeeling zeer liberaal toe: De menschen verschillen nu eenmaal naar gelang van de streek, waar ze vandaan komen; velen zijn er aan gehecht en ze komen immers voor hun pleizier.

In kannen en kruiken stonden de meestal bedwelmende dranken gereed; er was palmwijn in verschillende soorten te krijgen, ook arak en brem en kilang, (een soort stroop), „zonder einde ging de drank rond, alsof het stroomend water was". Geen wonder, dat sommigen daar niet tegen konden en hun bezinning verloren. Onervarenen, die zich voor 't eerst bedronken, werden braaf uitgelachen. De Koning placht, zeer joviaal, sommige der gasten een poos naast zich te noodigen om zich met hen te onderhouden, maar al te zeer benevelden kwamen daarvoor niet in aanmerking. Steeg de stemming, dan begonnen de zangers onder het gezelschap een beurtzang aan te heffen, „hartverrukkende" lofliederen op den Vorst, die de drinkenden hoe langer hoe verheugder maakten. De Wedana's hadden er voor gezorgd, de goochelaars en „comieken" uit hun streek mee te nemen, hunne praestaties veroorzaakten groote pret en gelach. Zelfs de deftige hooge ambtenaren werden door de algemeene vroolijkheid aangestoken en hieven onder luide toejuichingen een lied aan. Eens kon de Koning in eigen persoon, zijn blij gevoel ook niet meer bedwingen; hij uitte het in verrukkelijk gezang, dat groote bewondering en ontroering Wekte. Toen achtte een der hovelingen het oogenblik gunstig, om den Koning een verzoek te doen. Hij vroeg hem een maskerspel te willen vertoonen. De Vorst stemde er dadelijk in toe en terstond werden de noodige toebereidselen gemaakt. Vorst Kertawarddhana begon ter inleiding de gamelan te bespelen en de Koningin, met een mooie tèkès op (een soort pruik van ge-

Sluiten