Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reisde toen rond in Padjang (het tegenw. Centraal-Soerakarta) vergezeld door vele Madjapahiters. Het jaar daarop bezocht hij het landschap Lasem (in Noord-Rembapg), daarna wederom Kediri, waar hij in Lodaja — in het Zuiden — de oceaan bereikte, die grooten indruk op hem maakte. Zijn grootste reis echter, die door den Oosthoek ging en die ons door Prapantsja beschreven is, begon hij in Augustus 1359.

De voornaamste vorsten-familieleden .deden de reis mee, vergezeld van hunne gemalinnen en hunne dienaren: hooge en lage ambtenaren, dichters en monniken volgden in den stoet, die een schitterenden aanblik opleverde. Alle vorstelijke personen en hun gevolg n.1. waren gezeten in door ossen getrokken prachtig uitgesneden karossen*), honderden in aantal, die op verschillende wijzen beschilderd waren en naar gelang van den eigenaar een ander „wapen" of kenteeken droegen. De wagens der Koningin waren met rood en goud beschilderd en voorzien van een madjavrucht als teeken, evenals die van Hajam Woeroek zelf, die nog bovendien van goud en edelsteenen flonkerde. Die van den zwager des Konings voerden een zon als wapen, andere weer een prachtigeh witten stièr, sommige waren geheel verguld. Vóór en achter den stoet liepen heele troepen soldaten, lijfwachten, bedienden en koelies met bagage en keukengereedschappen, rijstwannen, koekoesans, kookpotten, houten bakken, wrijfhouten (om vuur aan te maken), specerijen en eetwaren. Sommige knechten zaten op paarden, zelfs waren er gezeten op olifanten en kameelen, die men in den Oosthoek nog nooit gezien had.

De tocht ging van Madjapahit eerst naar het Oosten — door Pasoeroean — en richtte zich verder naar het zadel Klakah, waardoor men de Zuidkust bereikte. Vandaar trok men tusschen de hellingen van het Jang gebergte en den Goenoeng Argopoero eenerzijds en die van den Idjen aan den anderen kant naar het Noorder-zeestrand, waar men een tijd lang vertoefde.

Onderweg werd de Vorst, vooral in de vrije desa's, spijs en drank geboden en hulde bewezen. Aan het Zuiderstrand genoot de Koning van de aanstormende golven en de duikende dolfijnen, en van de koraaldieren op het droge, die telkens door het water overspoeld werden. Ook poosde hij een tijdlang bij een roerloos meer, dat dichtbij den woesten zeeoever gelegen, met bloeiende lotussen en waterrozen overdekt was. Niet steeds ging de reis voorspoedig: in een diep ravijn (dichtbij de kali Sampean), dat door de regens erg glibberig geworden en haast niet door te komen was, botsten vele karossen tegen elkaar en braken; de telkens uitglijdende ossen raakten uitgeput en wilden niet verder. Van de ongevallen evenwel bekwam men weder gedurende het verblijf te Patoekangan (in de delta van de Kali Sampean) waar een fraai en geriefelijk kamp voor het gezelschap was ingericht en waar allerlei spiegelgevechten en maskerspelen georganiseerd werden. Behalve uit heel Oost-

1). Men kan zich van dergelijke rijtuigen een voorstelling maken, door bijgaande foto^van een rijtuig van den tegenw. Sultan Sepoeh te Cheribon, de „kareta Singa" die met rood en goud beschilderd is.

Sluiten