Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De bouw- en beeldhouwkunst in Oost-Java.

Reeds in 't vijfde hoofdstuk dezer geschiedenis *) is gezegd, dat er in Oost-Java een veel grootere versmelting van Hindoe's en Javanen plaats greep, dan ooit in Midden-Java het geval was geweest. Dit openbaarde zich zelfs in de leden der Koninklijke familie, die het Hindoetype verloren en een geheel Inlandsch uiterlijk gingen vertoonen. De beste illustratie hiervan 'geeft het portret van Koning Kartanagara (de Djaka Dolok in Soerabaja), dat niets Hindoesch meer verraadt. Wel is het zeker, dat er zich in de 13e eeuw wederom een nieuwe stroom van Hindoes, uit Madras en uit Nepal, naar Java richtte en dat deze zich uitte in de kunst en in de herleving van het Boeddhisme (welke ook door Tibetanen en Chineezen bevorderd werd) maar het eigen-Javaansche element bleek ten slotte toch krachtiger dan het vreemde, zoodat de maatschappij van Oost-Java, Javaansch was en Hindoesch getint.

Het duidelijkst kan men den Javaanschen geest en den Javaanschen smaak waarnemen in de bas-reliefs (halfverheven beeldhouwwerk), die in banden rondom de terrassen der Tjandi Toempang (of Djago), die in het Malangsche ligt, en der Tjandi Panataran in Kediri, loopen. Hierop worden levendige tooneelen afgebeeld, die, naar men langzamerhand heeft weten te ontraadselen, tafereelen voorstellen uit het Mahabharata en het Ramajana (in vertaling immers op Java bekend) en uit Hindoesche en Javaansche dierenfabels en vertellingen. Het eigenaardig-Javaansche ervan is nu, dat de helden en heldinnen daarop steeds door hun trouwe, hen nooit begevende bedienden en baboe's (panakawan's en inja's) gevolgd worden, die geheel en al het koddige wajangtype vertoonen, dat ook nu nog dergelijke personen in het wajangtooneel kenmerkt. En dat de wajang iets van echt-Javaansche vinding was, behoeft, hier niet nader betoogd te worden. Aan de Javaansche geschreven of ongeschreven literatuur werden deze figuren, die in de verhalen immers nooit ontbreken, door de beeldhouwers ontleend en hoe nauw de band met de wajang gevoeld werd, blijkt wel hieruit, dat, wanneer de uitbeelding van een bepaald verhaal gereed was, er een gebeeldhouwde ka jon of goenoengan op volgde, het scherm dat bij de vertooning van de wajang voor 't tooneel geplaatst wordt, als er een episode is afgeloopen.

Aan Tjandi Panataran, een aan Sjiwa gewijde tempel, is op verschillende

ยป). Zie blz. 31.

Sluiten