Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Soendalanden van de 5e tot de 16e eeuw.

Iets langer dan in Oost-Java handhaafde zich een heerschappij van Hindoes in de Soendalanden.

Daar waren hunne denkbeelden echter lang niet zoo diep tot de bevolking doorgedrongen als in het Oosten van het eiland. Vooral de dunne bevolking der bergstreken was bij het oude geestengeloof gebleven. Men heeft in WestJava dan ook bijna geen overblijfselen van Hindoemonumenten gevonden

Over wat er tusschen de 5e eeuw en het binnentreden van den Islam in de 16e eeuw in deze streken voorviel, bestaan slechts uiterst schaarsche berichten, en zoowel de Inlandsche geschiedverhalen als de Soendaneesche „pantoens" of liederen, die over den voortijd handelen, bevatten vele fantastische mededeelingen, waaruit de historische waarheid niet gemakkelijk af te scheiden is.

In het derde hoofdstuk is reeds gezegd, dat we over het verdwijnen van het rijk Taroem, dat in de 4e en 5e eeuw bestond, geen inlichtingen bezitten.

Pas na eeuwen, en wel in 1030, blijkt het dat er in West-Java weer een rijk bestaat, Soenda geheeten, waarover een Hindoe-Javaan Sjri Djajabhoepati, die zich met niet geringe overdrijving „Heer der zichtbare wereldkreits" noemt, regeert. Hij was een vereerder van Wisjnoe en drukte zijn Koninklijke titulatuur op dezelfde wijze uit als zijn beroemde tijdgenoot Koning Erlangga (1019 — 1042). Zijn rijk lag vermoedelijk in de buurt vanTjibadak in het Westen der Preanger, want daar dicht bij den oever der Tjitjatjih is de eenig bekende oorkonde van den Vorst, in 't Oud-Javaansch opgesteld, op steenen gevonden. Tot hoever zijn gebied zich uitstrekte, valt niet te zeggen.

In de 12e of 13e eeuw moet het rijk Soenda reeds tot de kust der Javazee gereikt hebben, daar het toen volgens Chineesche berichten een haven bezat. Het is echter de vraag of wij dan al van een eigenlijk rijk Soenda spreken kunnen, daar er geen geregeld bestuur bestond, wat ten gevolge had, dat de bevolking zich veel aan rooverij schuldig maakte. Daardoor werden de vreemde kooplieden er van afgeschrikt deze streken te bezoeken. Het land leverde overigens vele waardevolle producten op, zooals een goed'soort peper, suikerriet, erwten, komkommers en térong.

Mannen en vrouwen droegen er beide een sarong en hun haar sneden ze tot op een halve duim af. Zij woonden in huizen, die, op palen gebouwd, (zooals thans nog in de Preanger het gebruik is) langs de oevers der rivieren stonden. Die woningen werden bedekt met blaren van den klapperboom en door middel

Sluiten