Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van denzelfden Koning zijn nog enkele andere oorkonden gevonden, die het toekennen van vrijgronden en heiligdommen betreffen.

Dat de macht van de Padjadjaransche vorsten in Midden- en OostPreanger stevig gevestigd is geweest, bewijst de bewaard gebleven lijst van schattingen, die de bewoners daar moesten opbrengen, volgens de vaststelling van een legendarisch vorst Maharadja Traroesbawa. Die leveringen bestonden niet in geld, maar meerendeels uit olie, zout, gember, karbouwen, hoenders, jachthonden en weefsels.

De aanzienlijken, de ouden en wijzen (waarschijnlijk de „kolot desa" = de kamponghoofden) moesten het opgelegde inleveren en eens per jaar te Pakoean hun opwachting komen maken. Ook Cheribon moest aan Padjadjaran schatting opbrengen en wel in den vorm van trasi.

Meer naar de Noordkust toe was het koninklijk gezag in de eerste helft der 15e eeuw nog niet zeer groot. In 1436 blijkt n.1. uit een Chineesch bericht, dat de bewoners daar den grond niet bebouwden, maar gelijk reeds in de 12e of 13e eeuw het geval was, van roof leefden, zoodat handelsschepen die kusten liever vermeden. Langzamerhand veranderde dit echter. In ongeveer 1500 zou het rijk zich uitgestrekt hebben van de Tjikandi tot de Tjitaroem en van Pelaboean Ratoe tot het gebergte van Dajeuhloehoer en Pamotan (tegenover Noesa Kambangan). Aan de Noordkust had Padjadjaran toen verschillende havens, zooals Soenda Kalapa (op de plaats waar later Batavia zou ontstaan) en het onbelangrijker Banten, d.w.z. Beneden-Banten; een Boven-Banten, toen Wahanten-Girang geheeten, lag n.1. in de buurt van het Zuid-Westelijk gedeelte van het tegenwoordige Serang en was belangrijker dan het kustplaatsje. In beide plaatsen zetelden gouverneurs of onderkoningen van den Vorst, die te Pakoean, „de" stad, verblijf hield. De residentie was zeer dicht bevolkt en telde wel vijftig duizend inwoners; het leger zou uit honderd duizend man bestaan 1).

In de Tjarita Parahijangan worden behalve Praboe Radja Poerana nog verscheiden vorsten van Padjadjaran genoemd, maar buiten de namen geeft de kroniek over hen geen mededeelingen. De kennis die wij alzoo van de Soendalanden van de 5e tot de 16e eeuw bezitten, is zeer gering.

In het volgend gedeelte zullen wij zien hoe er aan het rijk Padjadjaran een einde gemaakt werd door Mohammedaansche vorsten, die zich op WestJava gevestigd hadden.

i). Vermoedelijk heeft men zich hier aan groote overdrijving schuldig gemaakt.

Sluiten