Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nederlandsch-Joodsche Litteratuur

Anthonie Donker

Er bestaat geen Jodenvraagstuk in ons land. Wel is er ook in ons land een zekere terugslag te merken van de Duitsche Jodenvervolging, soms in artikelen tot uiting komende, die rechtstreeks in strijd zijn met het historische Nederlandsche beginsel der tolerantie: een der ergerlijkste en onbeschaamdste uitingen in dat opzicht was van den jongen Katholieken schrijver Albert Kuyle. Het land, dat trotsch is, dat Spinoza er geleefd heeft, duldt geen vervolging zijner Joodsche volksgenooten; zelfs de nationaal-socialistische beweging in Nederland heeft beseft, dat zij hier te lande geen sympathie kon winnen als zij de Jodenvervolging in haar overigens grootendeels naar het Duitsche gecopieerde programma overnam; in de praktijk echter dient men het anti-semitisme, voorzoover het in ons land bestaat, toch in die kringen te zoeken, men make zich daaromtrent geen illusies; ook uitingen van Mussert hebben daar duidelijk op gewezen. Hoe de Nederlandsche regeering tegenover de Joden in ons land staat, is overtuigend gebleken bij het 300-jarig bestaan (drie honderd jaren!) der Nederlandsche Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam, waarvan de herdenking door twee ministers en den burgemeester deihoofdstad is bijgewoond. De met onze volksaard en geschiedenis overeenstemmende opvatting is, dat de Joden in de Nederlandsche cultuur en in het Nederlandsche volk in geen enkel opzicht verdienen ten achter gesteld en als minderwaardig te worden beoordeeld. De gebeurtenissen in Duitschland nopen tot nadrukkelijk vaststellen van wat overigens vanzelf spreekt. Hen die ten dezen de plichten van hun Nederlanderschap vergeten, hebben wij van zulke onnederlandsche opvattingen terug te houden. Tegenover het ook hier wel aangewend argument van de revolutionaire gezindheid en den antinationalen politieken invloed der Joden, zij men zich bewust, dat de spontane loyaliteit aan het vorstenhuis van juist het Joodsche deel der Nederlandsche bevolking een bekend feit is, een aanhankelijkheid die trouwens uit de houding der Oranjes tegenover de Joden en alle ballingen gedurende meer dan drie eeuwen te begrijpen is. De onaangename eigenschappen, die aan de Joden worden toegeschreven, kunnen in de beoordeeling en de bepaling hunner positie niet in aanmerking worden genomen, of men moest rekening houden met de minder aangename eigenschappen van allerlei volksgroepen, wier eigenaardigheden uit hoofde van beroep of geloof of streekaard de algemeenheid niet onverdeeld aanstaan. In dit verband heeft van Genderen Stort in zijn Sprokkelingen de zeer juiste opmerking gemaakt, dat de bedoelde eigenschappen door de eeuwenlange onderdrukking ten zeerste in de hand gewerkt moeten zijn. Voorop sta het inzicht in de zeer waardevolle bijdrage der Nederlandsche Joden aan de Nederlandsche cultuur. Het mag op een voor dit land onnoodige en als zoodanig onkiesche apologie lijken, maar om de vergiftiging der publieke opinie tegen te gaan ware een samenvattend onderzoek naar deze cultureele bijdrage op het gebied van wetenschap, wijsbegeerte, schilderkunst, muziek en litteratuur van nut, evenals Arnold Zweig het in Bilanz der deutschen Judenheit voor de Duitsche Joden heeft gedaan.

Bepalen wij ons tot de moderne Nederlandsche litteratuur. Vooropgesteld zij, dat de samenstelling Nederlandsch-Joodsche litteratuur uiteraard geen beperking van het begrip Nederlandsch, alleen een nadere bepaling van een deel der litteratuur hier te lande inhoudt. En

wederom dient men zich af te vragen, of de litteratuur van Nederlandsche Joden een zoo afzonderlijk karakter heeft, dat men van een afzonderlijke soort dient te spreken. In groote trekken blijkt dit niet het geval: meestal zijn de kenmerken ervan niet overheerschend Joodsch, en is in zulke gevallen de confessie of afkomst van den schrijver evenmin een factor van beteekenis voor zijn werk als bij een medicus of jurist, en voor de beoordeeling ervan ongeveer van dezelfde importantie als zijn haarkleur en het nummer van zijn schoenen. De meeste litteratuur van Nederlandsche Joden is een bijdrage aan de algemeene Nederlandsche litteratuur, waarbij het Jodendom niet of nauwelijks als kenmerkende bijzonderheid meetelt. Zelfs het werk van een zoo zuiver Joodsche vrouw als Carry van Bruggen, de zuster van Jacob Israël de Haan, heeft naar zijn inhoud en strekking vrijwel enkel algemeen Nederlandsch cultureel belang. Als bijdrage tot de Nederlandsche cultuur (een zeer belangrijke bijdrage!) is dit werk geheel afgezonderd van haar Joodsche afkomst te beoordeelen, die noch in het onderwerp noch in den stijl gespecialiseerd is. Men kan slechts zeggen, dat zij zeer opvallend die eigenschappen niét heeft, welke het werk van zoovele Nederlandsche schrijfsters zoo naïef, traag en onbeduidend maakt, en als men dat, waarschijnlijk, in verband met haar afkomst moet brengen, zijn de conj clusies voorzoover in iemands nadeel, zeker niet in het thare! Haar wijsgeerige bijdrage tot het onbevooroordeeld |denken (Prometheus), haar moedig relativisme, haar hartsjstochtelijk denkend levens- en zelfonderzoek maken haar fmet Henriëtte Roland Holst tot de belangrijkste vrouwef.'lijke figuur in de moderne litteratuur van ons land. ^'Ofschoon van groot algemeen-menschelijke waarde, is de poëzie van Jacob Israël de Haan wèl in het bijzonder als Joodsche poëzie te bestempelen: het verlies van het geloof, het herwinnen ervan, berouw, herdenking van een vrome jeugd, strijd voor het Joodsch herstel in Palestina, dat alles heeft in J. I. de Haan's hartstochtelijk en tr.agisch leven zulk een groote plaats ingenomen (en zelfs zijn dood bepaald), dat wij hem in zijn prachtige Nederlandsche poëzie bij uitstek als een Joodsch dichter moeten b< grijpen. De vereeniging van Jodendom en Nederlandsch vaderland is bij C. v. Bruggen en J. I. de Haan treffend in het telkens terugkeeren van het Hollandsch landschap in hun werk: Zaanland, vlakland, Hollandsche herfst. Bij andere Nederlandsche Joodsche dichters is het Jodendom geen concreet element in hun poëzie; slechts voor de analyse ervan kan het van belang zijn met deze factor rekening te houden: in het werk zoowel van Van Collem en van Herman v. d. Berg bijv, zijn er kenmerken, (vooral bij den laatste] die met hun afkomst in verband te brengen zijn en zelfs als niet-Hoilandsch geaard worden gevoeld, wat een eigenaardige varieerende verrijking van hun werk met zich brengt; opmerkelijk is beider neiging tot het pantheïsme.

Bij uitstek Joodsch door de beschrijving van typische Joodsche milieus is het in den stijl zeer sobere werk der te vroeg gestorven schrijfster Sani van Bussum; haar Bewogen Vrijdag op de Breestraat en Het Joodsche bruidje met hun fijnen humor zijn nog altijd te weinig bekend. Joodsche milieus vindt men ook in vele van Herman Heyermans Falklandjes, curieus trouwens ook om de typische Joodsche „gein" en sentimentaliteit (de verleden jaar verschenen bloemlezing stelt de voortreffelijkheid der beste tenvolle in het licht). In een stuk als Ghetto keert Heyermans zich overigens fel tegen de Joodsche orthodoxie. In eigenaardig Joodsch milieu voeren ons ook de deels voortreffelijke novellen van den jongeren auteur Siegfried van Praag, Een man van aanzien en De dolle maagd. (Van een niet-Joodsch auteur is de tooneeluitbeelding van Joodsch milieu in De violiers van Willem Schürmann; Joodsch auteurschap blijkt aldus weer niet het uitsluitende criterium voor litteratuur over Joodsche milieu).

Ook de jeugdherinneringen van Carry van Bruggen, door haar boeken verspreid, bevatten gevoelige beschrijvingen van Joodsch milieu. Niet door zijn onderwerpen in de eerste plaats (ofschoon ook dat meermalen) maar vooral door zijn stijl en wezen moet men het werk van Israël Querido bij uitstek als Joodsch beschouwen; in vele opzichten is het zelfs onhollandsch oriëntaal. In dit tegenwoordig door velen verfoeide werk is er ondanks de hinderlijke overladenheid toch een onloochenbare visionaire kracht. De roem het epos van de Amsterdamsche volksbuurt geschreven te hebben kan niemand hem onthouden, noch dat hij meer dan anderen het vermogen bezat menschen, typen te scheppen (Neel Burk, Mooie Karei, Stijn Burk, Corry Scheendert, Manus Peet), een zeldzaamheid in onze litteratuur. Datzelfde geldt van Herman Heyermans, wiens werk men terecht een grove makelij verwijt, maar behalve dat het Nederlandsche tooneel zonder Heyermans niet zou bestaan (geen kleinigheid!) moet men ook hem de eer laten dat hij typen kon scheppen (Pancras Duif, Eva Bonheur). Het woelige volksleven van Amsterdam is voornamelijk door Joodsche auteurs beschreven en zooal niet steeds grootsch verbeeld dan toch documentair vastgelegd: Joost Mendes, S. Goudsmit, M. Dekker. Het groote werk van J. Mendes (Het geslacht der Santeljanos) wacht nog op een grondige studie; interessant moet ook de vergelijking zijn van deze uit socialistisch oogpunt geziene moderne ontwikkelingsgeschiedenis van Amster¬

dam met de burgerlijke voorstelling ervan in De klop op de deur, waarvan Prof. Geyl destijds de onhoudbaarheid uitvoerig aantoonde.

Een voorbeeld van de volkomen assimiliatie (ook van het assimiliatievermogen) van het Nederlandsche Jodendom is een zoo bij uitstek Hollandsch boek als Het wassende water van den Joodschen auteur, die den schuilnaam Herman de Man voert; in verband met de bovengenoemde Oranjegezindheid is opmerkelijk, dat de arische en dramatische moderne Nederlandsche litteratuur over Willem van Oranje juist van Joodsche hand is (Vetermans successtuk Vader des vaderlands en M. Dekkers thans verschenen Willem van Oranje en de opstand der Nederlanden). Merkwaardig is ook de bijdrage van Joodsche auteurs, en waarschijnlijk ook niet toevallig (S. Freud!) aan de epische litteratuur van psychoanalytischen aard: reeds in den tijd der Tachtigers de Joodsche dokter Aletrino, wiens ziekenhuisschetsen te weinig meer gelezen worden), tegenwoordig S. van Praag, die zich echter meer op de psychologische biografie romancée toelegt, en Maurits Dekker vooral, wiens romans over pathologie en het belangrijkste deel van zijn werk zijn). De lijn dezer ontwikkeling loopt van M. Emants over Van Oudshoorn naar E. Raedt—de Canter, Vestdijk en Maurits Dekker, zoodat men in dit opzicht toch slechts van een zeer gedeeltelijke bijdrage van Joodsche auteurs aan deze litteratuursoort spreken kan.

7

Sluiten