Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ver zijn we ook hier weer verwijderd van het verzoenend streven der Renaissance naar de samenvatting van Grieksche wijsheid en Christelijk geloof, voortvloeiend uit het redelijk (en dus nederig) inzicht dat er buiten en behalve eigen wereldbeschouwing andere mogelijkheden moeten bestaan dan enkel „leugen" en „zonde".

Niets is daarvan in Miltons zeventiende-eeuwschen geest meer over. Er is maar een waarheid: protestanten-waarheid, één deugd: protestantendeugd. Wanneer we in den aanvang van het werk de opsomming lezen van de verschillende gedaanten die Satan aannam onder verschillende volkeren in verschillende tijden om „menschen te verleiden" — behalve dan de enkele bevoorrechten, die „onder Gods bijzondere bescherming'' staan — dan zien we dat dit eenvoudig alle godengestalten zijn — oorspronkelijk als symbolen gedacht, door Miltons platten geest tot „afgoden" vergroofd, waaraan de volkeren der Oudheid de wereld en zichzelven begrepen hebben.

Moloch en Kamos, Baal en Astaroth, Thammoez en Adonis, Dagon en Rimmon, Osiris, Isis, Orus, Saturnus, Kronos en Zeus. Al datgene waarin reeds de denkende Renaissancist grondslag en kiem van eigen denken, beseffen en gevoelen trachtte op te sporen en terug te vinden, waarmee de achttiende eeuw zich vereenzelvigen zal in begrip, de droomen en creaties van eeuwen en geslachten, van begaafden en bezielden, die monumenten van schoonheid en wijsheid lieten, is voor den dogmatisch-geloovige (hij zij dan Protestant of Marxist) voorwerp van minachting: walging of spot, tot eigen zelfverheffing. De eenige en eeuwige waarheid berust bij den groep, waartoe hij-zelf behoort.

En dan is daar verder die andere opsomming, van het Paradijs der Dwazen, en bier spreekt pas recht duidelijk de fanatieke Protestant, die verder-op den sexueelen omgang

Sluiten