Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaan, de kamp van heerschzucht en winzucht, van belang; en ijdelheid en wrok, de hang naar distinctie als noodzakelijkheid, in den wil om een „achtbaar man" te worden, met een aanzienlijk fortuin, in „noesten vlijt" verdiend. Het onrecht en de wreedheid, die dit streven en slagen noodzakelijkerwijs met zich bracht, kon niet worden aanvaard en mocht dus niet als zoodanig worden herkend. Tegenover gekleurde rassen volstond de superioriteit van den „Christen", die recht gaf tot de grofste excessen, tegenover rasgenooten en landgenooten de superioriteit van den „man van geboorte", maar ook die van den „achtbaren, eerlijken, vlijtigen" man. Daarom moest de weg naar het Paradijs-derredelijken, naar de zelfcritiek, de bevrijdende Waarheid, hun afgesloten zijn door het monster, dat Milton in „Paradise Lost" als de Zonde beschrijft en in welks verwrongen en verdorven trekken geen gemiddeld zeventiende-eeuwer ooit zijn eigen zedelijke tekorten vermocht te herkennen. De. maatschappelijke strekking van het kerkelijk dogma bleek ons daaruit ten volle, en zoo bleef de maatschappelijk-noodzakelijke kloof tusschen „goed" en „kwaad" voor den lezer gehandhaafd, waar hij immers ook overal elders in zijn stichtelijke lectuur de „zonde" (meestal zonder verderen, dus zonder eenigen werkelijken inhoud) of onder dezelfde geëxalteerde trekken van afgrijselijken uitzonderingstoestand geteekend öf zelfs geheel verzwegen vond. Vergelijk daarmee, nogmaals, de nuchtere uiteenzetting over het kweeken van het kwaad als gevolg van maatschappelijke instellingen, bij Montaigne, Thomas Morus en alle andere humanisten.

Deze instinctieve afkeer van, en dus het onvermogen tot zelferkenning werkt in elke collectiviteit onfeilbaar en keert zich in woeste woede tegen den man, die met onverbiddelijke waarheden aankomt en zijn tijdgenooten een spiegel voor-

Sluiten