Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I kige leven" het Leven-in-God hadden leeren smaken, begrepen ze tevens, dat niemand dit „gelukkige leven" willens van zich werpt, maar dat bij, die het niet smaakt, er door zijn onvermogen van verstóken is. Doch noch Sokrates, noch Spinoza waren bestemd om in en door dogmatische collectiviteiten de „zelfontvlieding" van het Absolute te voltrekken — in hen juist kwam dat Absolute tot de zelfherkenning, die de zelfopheffing is. Daarom was hun intelligentie vrij en vloeide de zuivere gevolgtrekking uit de zuivere premisse: Niemand kan God haten. Wie heeft welsprekender dan Augustinus het „gelukkige leven" bezongen, wie God vuriger geprezen, dat hij het hem na vele smarten beschoor? Wat was het, dat zich in hem te weer stelde tegen het zuivere besef, dat niet „slecht", maar rampzalig en schuldeloos is hij, die het gelukkige leven niet kent? Het was, dat in hem de Eenheid zich zelf ontvlood, tot zelfconservatisme in een dogmatische collectiviteit, dat tot zijn „functie" behoorde het voltrekken dier zelfontvlieding in het door alles heen steunen en verdedigen dier collectiviteit — daarom werd hij tot de redeloosheid verwezen, veroordeeld tot bochtig en kronkelig redeneeren, tot schelden en schimpen en smalen op Manicheeërs en Arianen en Pelagianen, die hij in redelijkheid niets zou hebben kunnen verwijten dan dat ze, van Gods licht verstoken, ongelukkigen waren.

In dit eene opzicht staat Descartes veel vrijer en het is juist die tweeslachtigheid, waarbij het niet om zuivere bewijsvoeringen, maar om rechtzinnige (of blijmoedige) conclusies is te doen, dat willekeurig en redeloos interpreteeren van feiten en gebeurtenissen tot „teekenen" en „goddelijke boodschappen", waarin zich alle „Christen-filosofen" van Augustinus af zoo volkomen bevredigd hadden gevoeld, 't welk hem, naar zijn eigen zeggen dreef tot „l'écart absolu et le doute absolu", tot het aanvankelijk verwerpen van alles wat

Sluiten