Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de „Chineezen of Kannibalen" geboren, geheel andere opvattingen omtrent alle dingen zou hebben — maar aan de „algemeenheid" van de Gods-idee (in Katholieke opvatting!) twijfelt hij niet. Deze is zijn groote stelligheid — daarin is hem de twijfel, krachtens zijn bestemming, zijn functie tot de Eenheid, niet vergund.

Want nog immer niet is de mensch tot den onderscheidenden en opheffenden twijfel vrijgelaten — nog immer heeft het Absolute tot dit moment in zijn zelfcreatie de menschelijke stelligheid van noode. Maar hier als in alle geesten dezer periode wordt het woord gesproken, de weg gewezen, de methode aangegeven.

In het putten van het bewijs voor Gods bestaan uit het ingeschapen geloof aan God, dat „elkeen van nature in zich draagt als het kenmerk van zijnen Maker" keert Descartes, met versmading van de in zijn tijd gangbare theologische spitsvondigheden en autoriteiten-aanroepingen tot het eigen Ik als tot de bron van alle kennis en van alle waarheid, tot het eigen Immanente Dogma als tot het eenige richtsnoer terug — en daarin is hij wel zoo modern mogelijk. Inderdaad is er geen andere, geen verdere kennis dan zelfkennis, geen andere arbeid dan dat „tezamen-brengen", dat uit een „hulpgebouw" van troebele meeningen en verwarde gedachten optrekken van een definitief huis, waarin de geest kan wonen, de arbeid, dien Augustinus onder „cogitare" heeft verstaan. Doch onverbiddelijk volgt daaruit dan ook, dat de, volgens die methode van ordenen en uitpuren, waarbij het laag-subjectieve, egocentrische, wordt verworpen en het hoog-subjectieve, individualistische, wordt behouden, uit eigen wezen opgespoorde, in eigen geest blootgelegde „waarheid" geen algemeene, maar een bijzondere, geen blijvende, maar een tijdelijke waarheid is, de openbaring van de eeuwig werkzame Rede in de denkende, werkzame

Sluiten