Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alles min of meer in twijfel getrokken, maar elk dier twijfelenden, ook die het verst gaat, roept anderen een „tot hier en niet verder" toe — 't welk beteekent: „Ik ben de maatstaf van alle dingen" en gewaagt van de leeringen der algemeenverfoeide Socinianen niet als van „onaannemelijke thesen" maar als van „gevaarlijke nieuwigheden".

Niet dus vóórdat de mensch waarachtig tot den levenden twijfel wordt toegelaten — niet vóórdat de twijfel waarachtig tot den mensch wordt toegelaten, niet vóórdat hij met den twijfel leven, den twijfel liefhebben kan, zal hij zichzelf als functie en zijn waarheid als betrekkelijk gaan begrijpen — leer en begrijpen, langzaam aan, moeizaam, stap voor stap, langs den weg der zelfbeschouwing, die zelfonderscheiding is, zelf critiek, zelfbetwijfeling. Een critisch onderzoek naar zijn eigen kenvermogens en zijn eigen kenbronnen — naar de herkomst en de waarde van datgene wat hij „in zijn bewustzijn" heeft aangetroffen — zal dus de eerste stap zijn, die het nieuwe geslacht gaat wagen op den weg tot de nieuwe waarheden. Langzaam aan begint het dan in hem te gloren dat zijn waarheid alleen voor hemzelf geldt — daar ze niets is dan het resultaat van zijn zelfonderscheiding — en dit groeiend besef, dat elk mensch aldus zijn eigen wereld schept, zal in de filosofie van Kant tot hoogste ontplooiing komen. Maar het is niet met en in Kant als een meteoor uit de lucht komen vallen — en het blijft dan ook een raadsel dat zoo velen zeggen die filosofie te begrijpen, en zelfs te belijden, zonder zich te hebben verdiept in haar wording en noodwendigheid als bekroning van een geesteswerkzaamheid, die organisch aansluit aan de zeventiende eeuw — van de zelfonderscheiding en de zelfbetwijfeling, welke zich in de geschriften der vroegste achttiende-eeuwers opsporen laten, onmiddellijk optredend wanneer voor het moment van der Eenheid zelfconservatisme, in het willen

Sluiten