Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Humanisme en Renaissance ook deed — heeft altijd de bedoeling den lezer als het ware te forceeren tot zelfonderscheiding, door de zeden, gewoonten, opvattingen, waarmede hij is vergroeid, tengevolge van het aan onze ontwikkeling zoo noodlottige menschelijke aanpassingsvermogen, die voor hem „vanzelfsprekend" zijn, die hij even weinig voelt als de hand haar eigen temperatuur, als het ware van hem los te scheuren en ze over te plaatsen op andere figuren, in andere streken, waardoor ze in een nieuw licht verschijnen en, dank zij de menschelijke eigenschap, anderen te laken en te vonnissen tot eigen verheffing (distinctie-drang), in hun ware leelijke gedaante worden herkend. De aldus te werk gaande satirische moralist hoopt daarmee een blijvende onderscheiding tusschen den lezer en zijn tot dan voor hem „vanzelfsprekende" handelwijzen (een blijvende zelfonderscheiding) te bewerken, zoodat de lezer diezelfde dingen voortaan ook in zichzelf waarneemt, critiseert en verwerpt. Behoort die lezer tot de gelederen der kerkelijkmaatschappelijke „steunpilaren", dan gelukt dat natuurlijk nooit: hem kan men zooveel „spiegels" voorhouden als men wil, fiij ziet toch altijd zijn buurmans aangezicht — doch het kerkdijk-maatschappelijk instinct i s al niet meer in zijn volle kracht, wanneer de satirische moralist verschijnt.

Wat La Fontaine, dikwijls althans, beoogt met de moraliseer ende dierfabel, beoogt Fontenelle met zijn „Histoire des Oracles". In schijn is het een onschuldige bewerking der Latijnsche verhandeling van een Hollandsch theoloog, die daarin met zeer spitsvondige redenen de ongeloofwaardigheid der Heidensche Orakelen bewijst, — zonder dat het in hem opkomt, hoe elk zijner argumenten volkomen toepasselijk is op en tegen de Christelijke Mirakelen — en het is juist deze egocentrische geslotenheid, welke de ironie van Fontenelle in zoo hooge mate gaande maakt, zoodat bij overal '

Sluiten