Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minder gretig aanvaarde en verdedigde — dogma der DrieEenheid op-te-heffen tot een Drie-Eenheid van Waarheid, Goedheid en Schoonheid — een bijzonder stoute gedachte voor een tijd,- die toch nog steeds met beide beenen vast zat in het moeras van de theologie.

Overal wordt het begrensd-dogmatische vervangen door het onbegrensd-symbolisohe en dit is in zijn onbegrensdheid dan ook wel zoo algemeen, dat het zich in vele verschillende temperamenten tot vele verschillende karakters vormen kan, zooals de kidividualistische periode, welke wij thans gaan beschrijven, ons overvloediglijk te zien geeft.

In de eerste plaats werd Deïsme het aangewezen geloof van de velen, die eigenlijk geen „geloof" in den ouden zin meer van noode hadden, en in wie de zeventiende-eeuwsche theologische belangstelling reeds plaats maakte voor de achttiende-eeuwsche natuurwetenschappelijke belangstelling, dat is weer: het zeventiende-eeuwsche kerkelijk-maatschappelijke instinct, voor het achttiende-eeuwsche individualistische instinct. De Natuur, we zagen het en zeiden het herhaaldelijk, is de vijandin der kerken en collectiviteiten; in de kerk, van de theologie, leert de mensch, dat hij (en de zijnen) alleen boven anderen gelijk heeft, dat hij (met de zijnen) alleen boven anderen uitverkoren is, door het aannemen van bepaalde dogma's, het volgen van bepaalde wegen. „Opdat het u wel ga" is de eenige leus; hier als overal in de collectiviteit is het slechts te doen om „to be easy here and happy afterwards", waarvoor gehoorzaamheid, volgzaamheid de voorwaarden zijn. De kennis van en de liefde tot de natuur (die veel later op haar beurt gedogmatiseerd zal worden en dan ook in dien zin geen baten meer afwerpt!) verlost den mensch van die pretenties en die wanen, maakt hem vrij in een besef van zijn onvrijheid, hoog in een besef van zijn nederigheid en

Sluiten