Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten volle realiseer en; de Eenheid, in de eersten tot een dageraad van zelfontdekking gekomen, klimt in de laatsten tot den vollen dag. Descartes sprak het woord uit van den twijfel, door velen, elk naar zijn aard, overgenomen en herhaald, Bayle en zijn geestverwanten bezaten de formule van de betrekkelijkheid — beide waren ook reeds het deel der Renaissance geweest — doch pas de volslagen filosofen der latere geslachten konden, mochten die wegen ten einde toe gaan. Wie de sterk-pantheïstisch-getinte beschouwingen van Schiller over „God" en „Natuur" leest, stuit telkens op monotheïstische ketterijen, op een onvermogen „God" en „Wereld" werkelijk, voortdurend en natuurlijk (dat is: zonder gespannen verstandelijke zelfcontrole) als één te begrijpen en niet te scheiden — Schiller voelt zich zelfs nog en noemt zich nog bij ettelijke gelegenheden: Protestant! In hem is het pantheïsme nog maar zeer onrijp — in de geesten van Kant en Goethe nadert het pas de grenzen van het menschelijk vermogen om de Eenheid natuurlijkerwijs te vatten en te beleven, vermogen, waarvan we moeten vreezen, dat het ook in de grootsten toch nimmer heel groot kan zijn.

De geestesbeweging, welke aan dien vollen bloei voorafging, heeft men zeer eigenaardig ,,Aufklarung" genoemd — ze is, van de Eenheid uit, een afrukken van oude blinddoeken, ze is als het breken van ijskorst en eierschaal, waaronderuit het verstolde en verstilde leven tot nieuwe beweeglijkheid ontwaakt. Dat de „poëzie des levens" het daarbij zwaar te verantwoorden kreeg, dat de „wieders" van het onkruid des bijgeloofs ook de bloempjes des geloofs hebben uitgerukt, zooals Heine het uitdrukt, dit alles kon niet uitblijven. Hoogelijk onbillijk zou het zijn, den mannen van de Aufklarung te verwijten dat ze bet leven ontluisterd hebben — maar die onbillijkheid was weer billijk in hun directe

Sluiten