Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nakomelingschap. Tegenover de theologische absurditeit en der theologen tyrannie van de zeventiende eeuw stelde de Aufklarung, die later vooral in Berlijn tot bloei kwam, waar ,4e boekhandelaren Nicolaï en Frederik de Groote, het gekroonde materialisme, den schepter zwaaiden," om met Heine te spreken, de negatieve, heilzame werkzaamheid van weerspreken, bespotten en loochenen. Was ze daarin niet „te ver" gegaan, dan was ze ook niet ver genoeg gegaan. Om iets te kunnen uitroeien, moet men het haten en wie iets haat, ziet er de deugden, de voordeelen, de goede kanten niet van. Liefde en haat zijn de werkdadige krachten, waaraan de gematigdheid van nature vreemd moet zijn. De matiging bewerkstelligt zichzelf in hun resultante, zij-zelf kunnen, mogen die niet betrachten. De zoogenaamde pedanterie van de leiders der Aufklarung is van alle tijden — want altijd en overal hebben menschen zich ingebeeld dat zij-zelf het Licht ontstaken, waarin ze 'het absurde en verdraaide van andermans redenen herkenden — wij voor ons begrijpen echter, dat er geen sprake was van een persoonlijke superioriteit van eiken achttiende-eeuwschen twijfelaar, boven eiken zeventiende-eeuwschen geloovige; de eerste was eenvoudig in de vernieuwde zelfherkenning en zelfbestreving j van de Eenheid buiten eigen toedoen innerlijk' bevrijd. De | zeventiende-eeuwer was niet minder groot in zijn geloof dan de achttiende-eeuwer in zijn twijfel — maar in de achttiende eeuw beduidde geloof op den ouden grondslag wel inferioriteit, gebleken onvatbaarheid om in de voorhoede te gaan, de Eenheid in haar nieuwe bestreving te weerspiegelen. In de zeventiende eeuw was men tot het geloof, in de achttiende tot den twijfel de „uitverkorene". Wanneer we lezen, dat de goede Nicolaï het woord „engel" als koosnaam in zijn huis verbood, omdat het hem aan „barbaarsch bijgeloof" herinnerde, dan kunnen we den afkeer van het geslacht dat na

Sluiten