Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorlogvoerende landen verbloemde de regeering mogelijke fouten der legeraanvoerders, en verheelde de zware wonden, land of leger of beiden geslagen, met geen ander doel dan der critiek den mond te snoeren en eigen standpunt ongehinderd door te zetten.

Ook hier blijkt weer duidelijk, dat de oorlog niets is geweest dan de brand in een altijd smeulend huis, dat het „a la guerre comme a la guerre" niets anders is dan het „les affaires sont les affaires" en dat de fundamenteele tyrannieke redeloosheid van elke collectiviteit alleen wat scherper dan in vredestijd naar voren treedt, maar niet in en door den oorlog is ontstaan. Holland kende het „officieele optimisme" evengoed in den tijd van Max Havelaar, als Frankrijk het kende in den tijd van generaal Foch! Het „optimisme" toch is de mooie naam voor den onwil (de onmacht) van den maatschappelijke van alle tijden om het ware wezen en de noodlottige uitwerking der maatschappelijke dogma's en moreele maximen te doorgronden en eigen corruptie te aanschouwen, optimisme is dus altijd „officieel". De maatschappelijke kunstenaar is optimistisch: hij laat steeds de deugd beloonen — den heldenmoed zegevieren, denken we aan Corneille. Dat ook Molière „optimist" is, blijkt het best uit zijn „Misartthroop". Het pessimisme is daar als een anomalie, een afwijking, een ziekte voorgesteld. Shakespeare, de onmaatschappelijke Renaissancekunstenaar, is pessimist; het blijkt uit zijn „Timon", wiens pessimisme geenszins een „ziekte" is — het blijkt uit „King Lear", wiens pessimisme evenzeer door de gebleken slechtheid van anderen wordt teweeggebracht. De socialistische kunst, voor zoover ze niet critisch tegen de bestaande maatschappij is gericht, maar zich bezighoudt met een te s t i c h t e n nieuwe, dat wil zeggen, voor zoover ze stichtelijk is, is evenzeer optimistisch, maatschappelijk. Elk goed lid van een maatschappelijke collecti-

Sluiten