Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar, dat het classicisme in Frankrijk de Revolutie overleefde en dat dit de bron werd van de ingewikkelde begripsverwarring, die het tijdperk na de Revolutie te zien geeft — en waarop we terugkomen — maar het is aan den anderen kant ook waar, dat alleen Frankrijk een Revolutie heeft aangedurfd en doorgezet. Er doet zich hier een „arbeidsverdeeling" voor, die het best uitgedrukt is in het woord van Heine: „Kant heeft „le bon Dieu", maar Robespierre heeft den koning geguillotineerd" — in Frankrijk is de groote maatschappelijke vrijmaking voltrokken. Schiller droomde nog van humane vorsten in veredelde werelden, maar Rousseauheeft de Volkssouvereiniteit gepredikt. Dit terloops.

Uit de burgerlijke (in tegenstelling met de vroegere „aristocratische") litteratuur van de achttiende eeuw is natuurlijk allereerst het verheerlijkt vorstentype weer verdwenen — dat in den Middeleeuwschen ridderroman voortdurend optreedt — uit de litteratuur van Humanisme en Renaissance verdwijnt; denken we aan Koning „Nobel" en aan „Utopia" en aan Macchiavelli — in de zeventiende eeuw weer terugkeert, glorieuzer dan ooit, om in de achttiende eeuw voorgoed (als we de Bourbon-verheerlijkende onbeduidende Restauratie-romantiek in Frankrijk en de soortgelijke en gelijktijdige Duitsche even uitzonderen) te verdwijnen. En met den nobelen koning is zijn geëxalteerde volgeling, de Ridder, het Cid-type, van den troon gestooten — tezamen zijn ze vervangen door den dwingeland en zijn vleier, den tyran en den hoveling. In hun plaats zijn de burgerlieden, ja, de lakeien, de vaak-belachelijke, zoo goed als steeds anonieme, en immer onbelangrijke bijfiguren van de aristocratische zeventiende-eeuwsche litteratuur verheven tot de dragers van menschelijkheid en zielenadel. Ze krijgen niet langer stokslagen, ze wijzen de goudbeurzen, die men hun toewerpt, af. Maar ze zijn — zoo die meesters het er naar

Sluiten