Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiende eeuwsche ridderschap overgebleven was! „Die Ehre ist nicht die Stómme unsers Gewissens, nicht das Zeugnis

weniger Rechtschaffner " zegt Tellheim, waarop Minna,

hem zacht-ironisch in de rede vallend: „Nein, nedn, ich weisz

wohl.... Die Ehre ist die Ehre " Kon ooit het

redelooze der collectieve dogma's scherper en korter zijn blootgelegd?

Maar dan verder, welk een verschil tusschen den zeventiende-eeuwschen held en den achttiende-eeuwschen ook in ieder ander opzicht. De Cid is de beloonde maatschappelijke deugd, Tellheim de onbeloonde Christelijke deugd, gene is de maatschappelijk geslaagde, deze de maatschappelijk mislukte, een afgedankt officier, levend onder den smaad van een onrechtvaardige verdenking. Minna voelt er zich te sterker door aan hem gehecht, Chimène's gevoelens echter, opgaand in de collectiviteit, vermochten alleen dat te waardeeren, wat door de collectiviteit wordt gewaardeerd. De „schoone daad", die Chimène's hart vermag te verweeken, is het do oden van vier Mooren-koningen — weer de exaltatie

van den krijgsheld, van de „maatschappelijke deugd" de

„schoone daad", waardoor zich Minna verteederen laat, is het kwijtschelden van belasting aan een arme en verdrukte boerenbevolking; de waardeering is ook hier van het „maatschappelijke" naar het „innerüjk-Christelijke" verlegd.

Dan, met volkomen en plotselinge afwijking van de traditioneele lakeiengestalten, verschijnt daar Just, Tellheims bediende, de ruwe, grove, onbeschaafde, vaak brutale, maar tot in den dood getrouwe, op alles eerder gelijkend dan op een zeventiende-eeüwsch lakei. Hij is de voorlooper van Schillers kamerdienaar in „Kabale und Liebe", hij is de neef van Beaumarchais' „Figaro" en de grootvader van Hugo's „Ruy Bias". Is het relaas, dat Just tegen Franciska houdt over de andere bedienden van Tellheim, die allen

Prometheus. 30

Sluiten