Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Stasi's „Delphine" staan ze tegenover elkaar, de beide werelden, de nieuwe en de oude, die waar de liefde over de „eer" heerscht en die waar de „eer" over de liefde heerscht, maar naast en tegenover die oude wereld wast de nieuwe geest, reeds in „Minna von Barnhelm" zoo beloftevol tot uiting gebracht, als eerste eener gansche rij gelijkgestemde werken.

Voor het geslacht, van dien geest gedrenkt, dien geest inen uitademend, geen Amphytrion-moraal meer, als voor Molière's tijdgenooten, geen troostrede, als die, waarmee zich Alcmène's door Jupiter gedupeerde echtgenoot maar vergenoegen moet, dat het geen schande is voor eenig man, zijn vrouw te deelen met een God — met een servielen wenk van den schrijver naar het publiek, om bij gelegenheid voor „een God" een koning te lezen. De stap was inderdaad niet groot en de schande evenmin. Maar een nieuw licht schijnt nu in en uit de lampen, die menschen heeten.

In Lessings „Enrilia Galotti" — een treurspel en tien jaar na „Minna" geschreven — zijn de on-maatschappelijke en anti-maatsohappelijke critische tendenties tot nog sterker uitdrukking gekomen, daar verschijnt voor het eerst de Vorst ten tooneele, wien niet slechts alle „goddelijkheid", maar zelfs alle hoogere menschelijkheid ontvallen is, die geen trek van de geïdealiseerde zeventiende-eeuwsche koningsgestalten meer vertoont. De willooze wellusteling, niet rechtaf verdorven — ofschoon hij „recht gerne" even wat doodvonnissen teekent vóór zijn morgenwandeling — maar speelbal van verdorven raadslieden — de meer dan de vorsten zelf verfoeide hovelingen. Lessings Prins in „Emilia" is dan weer de voorlooper van Schillers Vorst in „Kabale und Liebe" — de voorlooper van Frans I in Hugo's „Le Roi s'Amuse" — het type, dat niet uit de litteratuur zal verdwijnen, van dat vorstenaanbidding verdween, totdat in 1848

Sluiten