Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uiterlijke onderwerping gekochte rust zooveel mogelijk te bevrijden — gelijk Goethe — eischte hij voor elkeen een waardiger leven en een ruimer vrijheid. Dus wilde hij, mocht hij niet anders dan gelooven dat de menschen zich die vrijheid waardig zouden kunnen toonen.

Hobbes had immers, in z ij n „Contrat Social", in zijn „Leviathan", de noodzakelijkheid bepleit, de menschen te binden, op grond van hun natuurlijke slechtheid — Rousseau kon nu niet anders dan hen „goed" noemen, om een algeheele vrijheid voor hen te kunnen opvorderen. Vandaar dan ook zijn wanhoop als ze niet „goed" bleken, daar ze dan immers zijn levensbeschouwing, zijn levensreden, zijn leven zelf dreigden te weerleggen, op-te-heffen. Daar hij dus „slechte" menschen in zijn project niet gebruiken kon, begon hij alvast met hun slechtheid zoo lang mogelijk te loochenen, zooals zijn hypothese over Macchiavelli bewijst. Van volkomen denzelfden aard is het deugdfanatisme van Rousseau's vurigsten discipel: Robespierre. Deze wilde het eigen leven maken tot een publieke demonstratie, dat menschen ook zonder dwang uit vrije keus ordelijk en deugdzaam leven kunnen, dat individueele vrijheid geen losbandigheid, geen „terugvallen tot den natuurlijken staat van vijandschap" beduidt. Vandaar dat hij Danton zoo verfoeide om diens losse levenswijs — Danton was een démenti aan zijn systeem, een openlijke weerlegging. Zoo haten personen als Robespierre — in wien immers het enge „belang" nimmer meesprak — alleen diegenen, die hun levensbeschouwing dreigen te logenstraffen, de levensbeschouwing waarvoor ze anderen gevonnist hebben en zichzelf als beul en martelaar buiten de maatschappij gesteld.

Dit is voor ons besef de 'beteekenis van het deugdfanatisme der Revolutie-mannen en van hun hardheid jegens

Sluiten