Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Schiller's drama's. Dezelfde aanklacht als die, welke Thomas Morus reeds bij monde van zijn filosofischen wereldreiziger de maatschappij in het gelaat slingert — dat de grooten en machtigen door hun zelfzucht en hardvochtigheid de misdadigers kweeken, om ze daarna met veel vertoon van zedelijken afschuw op te hangen — ontmoeten we in „Fiesco", nog hartstochtelijker, in het diep-gevoeld beklagen van de galei-slaven.

Daartegenover spreekt elke maatschappelijke, spreekt ook Hobbes in gemoede over de luiheid en boosaardigheid van

het misdadig gespuis en over hun „eigen schuld" en de

optimistische Christelijke Spectator was over deze onaangename zaken liefst in het geheel niet te spreken, luidkeels galmend dat de wereld voor de braven en de vlijtigen toch* zoo schoon en zoo gezellig is. Zelfs Dante kon, mocht „Judas" en „Brutus" niet onderling onderscheiden, nauwelijks vermocht dit de zeventiende eeuw, maar Schiller noemt in zijn vaker genoemde academische intree-rede onder de „edele mannen", alsof het vanzelf spreekt, ook Brutus!

Plutarchus bracht hem tot Prometheus-verheerlijking — het was inmiddels dezelfde Plutarchus, die op alle Jezuïetenscholen in de zeventiende eeuw werd gelezen en waaruit de vlijtige leerling slechts filologische wijsheid en Christelijke zelfverheffing puurde.

Treden we in „Die Rauber" het rooverkamp van den held, Karl Moor binnen, dan vinden we er ook werkelijk den naïeven roover, met... Plutarchus in de hand! Hij doet den, mond open en de eerste naam, dien hij noemt, is de groote naam van Prometheus, de heilige naam van den God des Verzets. „Der hohe Lfchtfunke Prometheus ist ausgebrannt, dafttr nimmt man jetzt die Flamme von Barlappenmehl..Wat door de Dante's en de Miltons, door de aanbidders van blindelmgsngeïdtealiseerde en krachtens;

Sluiten