Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

man voor zich komen, dien hij mensch weet onder de slaven, dan antwoordt deze hem: „Ik kan geen vorstendienaar zijn." Wat eenmaal gold de hoogste eer, zijn Koning blindelings te mogen dienen, wordt thans den waarlijk grooten mensch onwaardig geacht. En die eene, fiere, dien de Koning begeert tot zijn vertrouweling, die eenige, die niet te koop is — bij, de vlekkelooze, Posa, is tegelijkertijd weer ketter en opstandeling, Prometheus, die een verdrukt menschdom tegen een tyrannieken Jupiter beschermen wil. Eere het nobele verzet! Die niet bukt voor den Koning, die verzet pleegt en verzet aanstookt, hij is de ware mensch. Want voor Don Carlos offert hij zich op — niet voor den Gebieder, maar voor den Vriend, niet plichtmatig als onderdaan, om het „goddelijke" leven van zijn Verheven Souverein te redden, maar vrijwillig, zooals een oude man uit inzicht en liefdie zijn plaats inruimt aan een jongeren, hopend dat deze zal vervullen, wat hij niet vermocht. En de tyran staat erbij — als mensch overwonnen. Zóó staat de achttiende eeuw tegenover de oude ridder-idealen!

De vriendschap tusschen Don Carlos en Posa is de vriendschap tusschen Tellheim en Werner, het is de oude vriendschap tusschen Hamlet en Horatio, het symbool van de gelijkheid, de eerlijke band tusschen vrij-geboren, gelijk geboren geesten, zonder aanbidding en vleierij. Carlos laat zich door Posa de hand niet 'kussen, Hamlet door Horatio niet, beiden willen mensch wezen, geen „meerdere in rang."

De achttiende eeuw heeft — Goethe vermeldt het nadrukkelijk in „Dichtung und Wahrheit" — een cultus voor de vriendschap gekend — en dit is, alweer, een symptoom van verminderend maatschappelijk instinct, 't welk alleen de familie, de „clan", „eigen volk" tegenover „vreemd volk" kent, en waar, wat men vriendschap noemt, overeenkomst van rang en fortuin beteekent, zooals dat onder de geringe

Sluiten