Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belijdt de „macht", zij het „recht". In de geweldige tweespalt, door de Revolutie aan den dag gebracht — „Delphine" is als document, als beeld dier tijden van zulk een groote waarde — strijdt Léonce in het kamp van zijn voorvaderen, — Delphine in dat van het recht. Léonce gehoorzaamt zijn moeder, zonder haar besluiten te critiseeren en gaat een huwelijk aan, dat hem tegenstaat, omdat zijn moeder namens hem haar „woord verpandde" — Delphine gehoorzaamt pas dan, als haar eigen zedelijk besef, haar eigen redelijk oordeel het bevel voor zedelijk en wettig erkent, dat is: Léonce gehoorzaamt anderen, Delphine alleen zichzelf, voor Léonce heeft het dogma, voor Delphine de „categorische imperatief" bindende kracht. Dit levert hier een intellectueel verschil, geen zedelijk op. Beiden toch kunnen voor hun levensbeschouwing offers brengen. Als Léonce's broeder wil trouwen met een Spaansche jongedame, een mademoiselle De Sorane,.verzet zich Léonce: het meisje heeft een slechten naam. Delphine echter vraagt, waarom het meisje een slechten naam heeft en of wellicht de wereld hier, als zoo vaak, in het ongelijk verkeert. Zulke vragen laten Léonce koud — voor Delphine geldt het innerlijk wezen, voor hem de reputatie, de uiterlijke schijn. Ook ter wille van de edelste intenties mag Delphine dien schijn niet tegen zich krijgen —• en doet ze dat toch, dan kan hij haar niet -trouwen. Het geheele conflict tusschen Léonce en Delphine, 'twelk door het gansche boek — op de basis van hun zedelijke gelijkwaardigheid — wordt voortgezet, is het conflict tusschen Dogma en Categorische Imperatief, tusschen maatschappij en individu, tusschen een ondergaande geesteswereld en een opgaande, Delphine is een (getemperd, "verzacht) Byron-temperament, Léonce een (geïdealiseerd) Scott-temperament. Zij zedelijk, bij fatsoenlijk, zij deugdzaam, hij braaf, zij dwaas, in een onbegrensd en redeloos

Sluiten