Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sche godsvoorstellingen van „Joodsche" maatschappijen en „Christelijke" kerken. En die afkeer keert zich ook tegen ide menschen, die in slaafschen angst „ja" knikken op absurditeiten, waarvan ze niets begrijpen, geen blik van verwondering, geen woord van tegenspraak wagen, doen of ze gelooven en alleen maar sidderen, doen of ze „liefhebben" en alleen maar dienen voor loon, om hun rust — de rust die elk roofdier zoekt voor het verteren van zijn prooi

— juist als „le bon Tourangeau" in Balzac's verhaaltje „Craignant Dieu d'abord, puis les voleurs, les seigneurs après, le tumulte après tout", maar met heel wat meer pretenties.

Tot dit alles moest het komen. Ook tot het blootleggen van het inconsequente en onsamenhangende in de als „Christelijk" voorgestelde geldende moraal.

Vragen, die de achttiende-eeuwer niet dorst stellen, maar waarvan hij het stellen, omzettend, herstellend, onwillens en onweerhoudbaar voorbereidde, stijgen eindelijk naar het licht! Hoe kan bloedschande zóó schandelijk zijn, als het geheele menschengeslacht uit bloedschande — het huwelijk van Cain met zijn zuster Adah — voortgesproten is? Adah's vraag tot Lucifer — „What is the sin, which is not sin in itself ?" — is de oude vaste vraag van de critische redelijkheid, de vraag, die Rochefoucauld al stelde, en de Renaissance, en daarvoor Mattheus op andere wijze,

— en tot andere consequenties.

Het is de vraag, die, eenmaal opgeworpen, als een weerhaak blijft steken in den geest en de menschheid nimmer meer loslaat. Wanneer in Ibsen's „Spoken" mevrouw Alving voorstelt haar zoon te laten trouwen met de natuurlijke dochter van zijn vader, ijst dominee Manders voor de „bloedschande". En weer klinkt de vraag: „Waarom niet? Is niet het heele menschengeslacht uit bloedschande

Sluiten