Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit was de „verdrukte Kerk", dit de „bloem van Frankrijk", ter wille van wie de Fransche Byrons Voltaire hebben beschimpt en de nagedachtenis van Rousseau, hun geestelijken vader, gesmaad. De Kerk die, zoodra ze maar een veer van den mond kon blazen, brandstapels van goede boeken bouwde, met schaamtelooze driestheid iedereen, zelfs de Protestanten, dwong hun huizen te versieren, als er Roomsche heiligdommen voorbij gedragen werden.

De Bonald dorst, in den grenzeloozen egocenirischen hoogmoed van den waren Katholiek, de straf voor vadermoord

— onthoofding na het afkappen van de rechterhand — voor schenners van het „allerheiligste" eischen en verder de bloedigste wreedheid tegen eiken stakker, die uit nooddruft tot diefstal komt. „Uit moet het zijn met de sentimentaliteit, die aan het individu denkt, als de gemeenschap in gevaar is" — ziedaar het eenig bescheid op den roep om deernis en verzachting. „En verder oordeelen we niet, maar we onthoofden alleen, We zenden de „aanvallers van de gemeenschap" — brooddieven, paardendieven, bedelaars! — slechts voor hun Hoogeren Rechter" — oreert dit pronkjuweel der Roomsche filosofie, de Bossuet van de negentiende eeuw. De verdrukte Kerk! Die bij monde van haar lieven zoon, Graaf De Salaberry de boekdrukkunst de eenige plaag noemde, waarvoor God Egypte had gespaard,

— door wier duister gekuip in 1816 de voornaamste leerstoelen in filosofie en moderne geschiedenis opgeheven werden, die de barbaarsche perswetten „wetten van liefde en erbarmen" noemde — en voor wier zonen de „idealen" weer precies zoo volkomen samenvallen met hun belangen, als de idealen van Robespierre van zijn persoonlijke belangen verwijderd waren geweest. Terecht hebben latere tijdgenooten er reeds de aandacht op gevestigd, dat voor al de verdedigers van Kerk en Koningschap onder de

Sluiten