Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemoed van den zeventiende-eeuwer tot onwrikbare stelligheden hebben omgezet (denken we nog eens aan Milton's schildering van „De Zonde" — beeld van het scherpe verschil tusschen „goed" en „boos" op dogmatieken grondslag en zóó alleen ook een schijn van realiteit bevattend.)

Wrikt de achttiende eeuw eenmaal die dogmatieke grondslagen los, dan blijken „goed" en „boos" als bloot relatieve waarden, als namen van algemeen-menschelijke kwaliteiten, en op het „loswrikken", het critiseeren, onderscheiden, volgt onvermijdelijk het opheffen.

Onder de vele voorbeelden, die we eerder gaven van deze dogma's loswrikkende, en dus vernietigende werkzaamheid herinneren we nog eens aan de zoo vaak gewraakte, eer dergeciteerde regelen in Lessing's „Emilia Galotti", waar de heldin in haar doodsangst een zelfbelijdenis slaakt, die het lang gehandhaafde onderscheid tusschen „kuische vrouw" en „onkuische vrouw" ten eenenmale opheft, vernietigt. Een vluchtige herinnerings-vergelijking met Corneille's Chimène, ja met Richardson's „Pamela" en „Clarissa", toont welk een verlegging er heeft plaats gehad.

De individualistisch-pantheïstische, zelf-critische achttiende-eeuwsche litteratuur kon geen „vlekkelooze" menschen voortbrengen, evenmin als zwarte misdadigers en „vuige onverlaten" — tegenover Schiller's in dat opzicht „ouderwetsche" typeering van Franz Moor staat zijn helder begrip van Philips H.

Reeds de beste geesten van de achttiende eeuw hebben aldus het inzicht der menschelijke ontoereikendheid in de litteratuur neergelegd en zelfs hun personen een element van twijfel en zelfverwijt, voortspruitend uit dit zelf-critisch inzicht, toebedeeld — de negentiende eeuw zet, in het klaarder licht eener vollediger bewustwording, dezen arbeid onverdroten voort en geeft in haar litteratuur een bijkans

Sluiten